Wat was er voor de godsdienst? (deel 3)

Deel 3. Waarom hebben we godsdienst ?

Filosofie zijn vragen die waarschijnlijk nooit zullen worden beantwoord. Godsdienst zijn antwoorden die nooit mogen in vraag gesteld worden.

Eerste bedenkingen.

Met name Marx stelde dat godsdienst werd gecreëerd door een intellectuele kaste om de rijken te dienen. Dat dit grotendeels een feit was in de industriële periode waarover Marx het had, is redelijk juist. Maar godsdienst bestond reeds vóór enige andere vorm van onderdrukking of maatschappelijk sociale opsplitsing.

De enige juiste vraag is: voor wie was het goed, wie had er baat bij. En het antwoord is vrij eenvoudig: de mensen zelf, zowel individueel als sociaal.

In vergelijking met andere culturele ontwikkelingen van de mens ( het ontstaan van het schrift ongeveer vijfduizend jaar geleden; landbouw tienduizend jaar geleden en spraak/taal naar schatting tussen veertig en vijftig duizend jaar geleden) is godsdienst een bijzonder jonge fenomeen.

Het is zeer waarschijnlijk dat godsdienstige vormen en rituelen ( proto-religies) zijn ontstaan in dezelfde periode als de taal. En wij nemen aan dat de vroegste communicatie over voedsel, over de omringende gevaren en over voortplanting ging. En in deze psychologische, culturele en materiële bodem heeft zeker godsdienst zijn eerste wortels gehad, overal. En omdat de bodems, de materiële omgevingen verschillend waren, zijn er inderdaad verschillen in godsdienstige vormen de wereld rond. Het christendom bijvoorbeeld heeft alleen al ongeveer 36 000 geloofsgroepen.

Maar waarom hadden we eigenlijk godsdienst nodig ? Waarom en hoe is het ontstaan ? Een paar nieuwe wetenschappelijke interdisciplinaire domeinen proberen onder andere hierop een duidelijker antwoord te geven. Voorlopig houden we het bij de basisstelling dat er vier redenen zijn die het bestaan van godsdienst verklaren: troost en comfort in het menselijk lijden, het wegnemen van onze angst voor de dood, de verklaring voor fenomenen die we niet begrijpen en het bevorderen van de samenhang van de groep tegenover de beproevingen en gevaren. En dit is de synthese van vele honderden studies die over dit thema zijn geschreven.

Veel onderzoek is nog nodig, maar we houden het bij deze eenvoudige stelling. Wat ons in de eerste plaats intrigeert is waarom godsdienst en haar ideeën mensen comfort bood, uitleg gaf over onbegrijpelijke fenomenen en de samenwerking bevorderde.

Evolutionaire oorsprong van de godsdiensten.

De wetenschap die ons de laatste twintig jaar veel heeft bijgebracht over het ontstaan van taal, het ontstaan van mythologie en de cross-over vergelijking van de antropologie van de godsdienst is de evolutionaire psychologie. Dit is de wetenschap die onderzoekt waarom mensen handelen zoals ze handelen; het bestudeert hoe onze voorouders de problemen die ze tegenkwamen, leerden oplossen en hoe daardoor nieuwe gedragspatronen ( sommige onbewust) werden vastgelegd. Samen met de kennis die we hebben verworven door de evolutionaire biologie, probeert men achter het proces te komen dat de menselijke geest heeft gevormd. Een massa nieuwe studies en werken zijn hierover recent gepubliceerd: onlangs nog zijn interessante zaken gepubliceerd over de Neolitische religies, over spiritueel en cultgedrag in de Opper Paleoliticon tijd en over parallellen bij de primaten.

Een aantal gedragsvormen werden zeker reeds ingeleid in onze pre-hominide fase. Bepaalde gedrag vinden we namelijk ook bij de primaten terug. Primaten zijn uiteraard niet religieus, maar ze vertonen een aantal patronen die nodig zijn bij een evolutie naar godsdienst.

Even een tussenopmerking. Wij zijn niet geëvolueerd uit apen en primaten, maar in parallel met hen. Volgens het laatste onderzoek delen hominiden en de grote apen de laatste gemeenschappelijke voorvader rond 19 miljoen jaar VMTR. De Oerangoetang tak splitste zich af ongeveer 13 à 16 miljoen jaar geleden; de gorilla lijn splitste ongeveer 8 à 9 miljoen jaar geleden en de hominin lijn splitste in twee ongeveer 5 à 7 miljoen jaar geleden, waarvan de ene lijn leidde tot de chimpansees en bonobos en de andere lijn tot de hominiden. Homo erectus, de mensachtige die begon rechtop te lopen was rond 1,8 miljoen jaar VMTR en de Homo sapiens, die een behoorlijk denkvermogen had, was rond 200 000 jaar VMTR. Dit alles is dus een enorm lange evolutieperiode !

De laatste 200 000 jaar heeft het menselijk brein een enorme evolutie ondergaan. Waar de Australopethicus, waaruit de huidige mens is ontstaan, een schedelcapaciteit had van 300 tot 500 cm3 ( ongeveer als een chimpanzee), had de Neanderthaler er reeds 1400 cm3 gemiddeld en 85 miljard neuronen. Dit zijn geen absolute normen voor het meten van intelligentie, maar ze helpen een evolutionaire trend te definiëren. Bovenop het hersenvolume staat ook de ontwikkeling van de cortex wat wel degelijk aan een hogere intelligentie is gelinkt. Katharine Milton, een anthropologiste van Berkeley University of California en specialiste in eetgewoontes van primaten, stelt in het wetenschappelijke Evolutionary Anthropology tijdschrift dat ongeveer 2 miljoen jaar geleden de eerste proto-hominiden begonnen vlees te eten als een supplement aan hun Afrikaanse vegetarische diëten. Dit bezorgde hen de nodige amino zuren, vitaminen, mineralen en calorieën voor de ontwikkeling en groei van het hersenvolume, en ook van het lichaamsformaat.

De hersenen, zegt Milton, zijn een ongelooflijke verslinder van calorieën en hebben permanent glucose nodig. Daardoor kenden de hersenen van de homo sapiens tijdens de laatste 200 000 jaar een enorm aantal ontwikkelingsfasen. Vandaag ontwikkelen zich deze fasen in het brein van een kind in amper enkele jaren.

Eén van de belangrijkste gevolgen is dat de mens onder andere een zogenaamd “autobiografische geheugen” ontwikkelde, wat hem toelaat een projectie te maken voorwaarts en terug in de tijd en voorwaarts te plannen. Dit betekent een duidelijk begrip van tijd en ruimte, wat hem de onvermijdelijkheid van de dood liet begrijpen en waarschijnlijk ook de angst voor de dood bijbracht. En dat maakte ons, in de woorden van Karen Armstrong,  “homo religiosus”.

De vrij nieuwe tak der wetenschap die de psychologie en de neurowetenschap van godsdienst in het algemeen bestudeert, is tot de voorlopige conclusie gekomen dat religie een bijproduct is van de manier waarop de menselijke hersenen functioneren. De eerste cognitieve neiging is orde uit chaos te zoeken ( zie bijna alle ontstaansverhalen van bijna alle godsdiensten: in het begin was er chaos en god schiep orde uit de chaos). Mensen vormden de elementen van onze omgeving om tot menselijke normen en vormen om te proberen deze te begrijpen. Kinderen doen dit trouwens op vandaag nog steeds.                                 Voor zover de wetenschap ons vandaag leert, zijn mensen de enigen die hun eigen bestaan kunnen transcendenteren ( projecties maken die niet uit de reële wereld komen). Wij cumuleren feiten uit het verleden met onze hedendaagse leefwereld en we zijn in staat om die te projecteren naar de toekomst. Bovendien zijn we in staat om een buitenwerkelijke wereld te “zien”.                                                                                                                                                     Een gevolg hiervan is onder andere het geloof dat de wereld een design is met een voorbestemming door “hogerhand”. Deze visie sluit godsdienst als pathologisch element uit, zoals een aantal denkers een aantal decennia geleden nog meenden te moeten stellen. Mensen hebben de neiging, reeds heel vroeg, om tekens en patronen te zien in de wereld rondom hen. En hebben ook de neiging bovennatuurlijke invloeden te “herkennen”.  Sommigen  leggen dit uit als een “god module” in onze hersenen zoals we een taalmodule hebben die specifiek geëvolueerd is om taal te verwerven. Deze zogenaamde godsmodule zou, volgens de wetenschappers zijn ontstaan omdat onze hersenen een verschillend cognitief systeem hebben ontwikkeld voor het behandelen van levende zaken en een ander voor levenloze objecten. Dit sisteem bestaat reeds zeer vroeg bij mensen. Volgens de onderzoeken hebben baby’s van hooguit vijf maanden dit onderscheidingsvermogen reeds ontwikkeld.

Mensen vormen heel makkelijk relaties naar niet-bestaande anderen. De helft van de jongeren van alle tijden hebben een ingebeelde vriend, terwijl een groot aantal volwassenen een band onderhouden met gestorven relaties, met denkbeeldige of ingebeelde partners. Dit is een uiterst nuttige vaardigheid in het evolutieproces. Dit “common-sense dualism” overheerst eveneens onze hersenen bij het vormen van bovennatuurlijke concepten als leven na de dood. In zijn onderzoeken concludeerde Jesse Berings van de Queen’s University Belfast dat het geloof in één of andere vorm van leven, los van de fysiek lichamelijke ervaring, een “default setting” is van de menselijke hersenen.

Opvoeding en ervaring leert ons dit fenomeen terzijde te schuiven, maar volgens Berings lukt ons dit nooit volledig. Pascal Boyer van de Washington University in St.- Louis stelt dan ook dat vanuit deze toestand de stap heel klein is om geesten, dode voorouders en goden te conceptualiseren.

Maar dit alles is eigenlijk nog niet voldoende om ook godsdiensten te laten ontstaan. Wij hebben echter ook een overontwikkelde zin voor oorzaak en gevolg. Wij hebben de neiging die overal te zien. Een struik ritselt. Er moet iets of iemand zijn. Waarschijnlijk is dit een evolutief overlevingseffect. Vijand, leeuw of alleen maar wind. Niet nadenken, lopen ! Wetenschappers noemen dit een “hypersensitive agency-detecting device of HADD. Het is een mechanisme dat mensen het vermogen geeft om in vele zaken “agency” (= bemiddeling, tussenkomst, in dit geval van hogerhand) te zien. Behalve ons vermogen tot rationele beslissingen, heeft HADD ook de basis tot religieus denken bijgebracht. Het leidt tot de idee dat veel handelingen uit de natuur een bedoeling hebben. Bij de wetenschappers heet dit Theory of Mind of ToM. Deze ToM leerde ons te anticiperen op de actie van andere mensen en ons aan anderen aan te passen. Dit proto-sociaal vermogen was uiterst nuttig voor de vroege mensen. Toen we echter bedoeling begonnen toe te kennen aan actie van “niet-actoren” ( donder, zon en maan, regen, enz…), weken we af naar bovennatuurlijke conclusies. De geesten achter natuurfenomenen werden goden; later werden ze hoofdgoden en mindere goden, en nog later één hoofdgod met drievuldigheid of meerdere verschijningsvormen en engelen. Steeds voorgesteld en beschreven met verregaande menselijke trekken. Zolang de mythologie en de verhalen over deze “agenten” een mate van nog net aanvaardbaar bovenmenselijk karakter hebben, zijn wij, mensen geneigd deze als bovennatuurlijk te aanvaarden. Mohammed dus nog nèt wel, maar Mickey Mouse niet meer. Het dunne verschil dus tussen godsdienst, mythe en sprookje.                                                       

Religie, kortom, ontstond uit een mengeling of genetisch gebaseerde mentale mechanismen, ontworpen door natuurlijke selectie voor duidelijk wereldse, materiële doelen.

En eens een godsdienst ( maar ook een maatschappelijke ideologie bijvoorbeeld) in zijn basis gevormd, zijn er een hele reeks mechanismen die het verder propageren en ontwikkelen of laten verdwijnen.