De historische kerk - deel IV: Rome en de kerkvaders

De historische kerk - deel IV: Rome en de kerkvaders

Situering

De staatsgodsdienst der Romeinen ontstaan uit een import van de Griekse mythologie, gemengd met het pantheïsme van de Romeinse voorvaderen en met een grote dosis astrologie, waarzeggerij, enz… een overblijfsel uit hun vroege geschiedenis, was vanaf de tweede eeuw MTR zijn geloofwaardigheid aan het verliezen ( zie de geschriften van Plutarchus). De vergoddelijking van de keizers en de ongeloofwaardigheid van een aantal onder hen. De invloeden van vele nieuwe godsdiensten geïmporteerd uit de veroverde gebieden ( denken we maar aan de grote aanwezigheid van de volgelingen van Mithras). De grote economische crisissen en de permanente politieke intriges. Dit alles bracht onzekerheid en twijfel. Deze voedingsbodem vonden de eerste christenen die in Rome aankwamen. Bovendien predikten zij een totaal nieuwe openbaring, gebaseerd op verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en gelijkberechtiging onder alle volkeren, onder alle standen en rassen, en onder man en vrouw. Dit was zeer zeker voor die tijd een heel revolutionair idee, vooral onder de grote massa zwakkeren en marginalen. En dit ging volledig in tegen de positie en filosofie van de machtigen. Daar bovenop vinden we meerdere bronnen die stellen dat de eerste christenen vrij radicaal te werk gingen in hun prediking, ze weigerden om ideologische redenen legerdienst, hadden een probleem met offerandes aan de Romeinse goden en ook met belastingen.
Daarentegen waren ze zeer sociaal onder mekaar. Ze deelden middelen, legden reserves aan voor minder bedeelden, gaven onderdak en voedsel aan andere christenen.

Dit alles gaf regelmatig aanleiding tot vervolgingen, niet alleen in Rome, maar ook in andere kerken zoals Alexandrië en Antiochië. Daar bovenop was de christen beweging intern permanent in conflict. Vele ideologische discussies vonden plaats. Paulus school versus Jerusalem = een puur joodse beweging of ook openheid naar de niet-joden. Jezus was goddelijk of mens was een ander thema evenals de vraag rond verrijzenis ( onorthodoxe versus orthodoxe christenen). Deze laatste discussie duurde tot ver in de tweede eeuw. Maar daar bovenop bleef ook de filosofische discussie voortduren met de vier hellenistische scholen: de stoïcijnen, de Plato school, de Peripathetische school en de Epicuriërs.

Langzaam maar zeker, en vooral na iedere periode van vervolgingen, werden compromissen gesloten tussen de verschillende ideologische stromingen binnen het christendom, die steeds duidelijker de ontwikkeling van een andere godsdienst versnelden. Tegelijk stelden zich ook steeds dringender problemen rond organisatie ( de relatie van de verschillende kerken in het Midden-Oosten, Klein-Azië, Egypte, Griekenland en Rome) maar ook rond de hiërarchische structuur, rond beheer ( gelden en middelen), rond opvolging en continuïteit ( hoe worden bisschoppen verkozen? ).

Na de chaos in Rome nam Diocletianus de macht over maar ernstige financiële problemen bleven het Romeinse Rijk teisteren. Vervolging van de christenen was weer aan de orde. Maar toen na enkele jaren Diocletianus de problemen niet onder controle kreeg, trad hij af. In 311 werd het edikt van tolerantie ( tegenover de christen gemeenschap) dat in 261 een eerste keer door Gallianus was uitgevaardigd, herbevestigd.

Synode van Nicea

In deze woelige periode werden meerdere lokale synodes gehouden door de christen hiërarchie waaruit bleek dat ze versneld allerlei interne problemen oplosten. Langzaam groeide een consensus om dergelijke synodes te institutionaliseren. De eerste in het Westen vond plaats in Arles in 314, maar er waren alleen bisschoppen uit Italië, Gallië en Afrika aanwezig. Een eerste oecumenische synode werd in 325 door keizer Constantijn samengeroepen in Nicea ( Klein-Azië).

Constantijn, geplaagd door vele problemen in zijn rijk, dwong de hiërarchie van de nieuwe christelijke kerk een aantal van hun interne filosofische gevechten voor ééns en altijd op te lossen en zich te profileren als één blok. Voor hem was deze godsdienst namelijk het mogelijke bindmiddel voor zijn uiteenvallend rijk en een dam tegen de invasies uit het noorden en het oosten.

Tijdens deze synode waren ongeveer 250 bisschoppen aanwezig en werden 20 canons uitgevaardigd. De meeste handelden over de organisatie van de kerk. Maar in het licht van alle controverses die de officiële kerk had met Novationisten, Valentianen ( Gnostici), Marcionieten, Paulianisten, Ariërs en Montanisten, werden regels voor excommunicatie vastgelegd. In 326 verbiedt een keizerlijk decreet samenkomsten van de volgelingen van deze gemeenschappen. In 333 laat hij de boeken van Arius verbranden. De synode van Caesarea in 334 en deze van Tyre in 335 leidt tot een serie afrekeningen in de christen gemeenschap bij keizerlijk decreet.

Inmiddels ontstond ook door de positie die Constantijn had ingenomen een overwicht van de Romeinse Kerk, hoewel deze niet de grootste was, maar ze was wel deze met de grootste financiële middelen. De Petrus en Paulus referentie ( van Paulus weten we niet dat hij werkelijk in Rome is gestorven, zoals wordt beweerd; en van Petrus hebben we ook geen bewijs dat hij ooit in Rome is geweest, hoewel dit eveneens wordt voorgehouden) werd gebruikt om Rome in het middelpunt van de kerk te brengen. De politieke argumenten hiervoor waren uiteraard sterk aanwezig.

Op dat ogenblik is er in de geschriften nog helemaal geen sprake van een centralisatie en dus ook niet van een pausdom. Maar zeker werd de idee om een algemeen aanvaarde leer neer te schrijven steeds duidelijker. Eerder rond 140 had Marcion de idee van een Nieuw Testament reeds gelanceerd, wat een oud idee van een nieuw verbond ( in tegenstelling van het oude joodse verbond) inhield. Hierin zouden alle officieel aanvaarde geschriften worden verzameld, die de basis van de Kerk zou vormen. De evangelies, de basis van de Didache en de brieven van Paulus zouden de hoeksteen worden. 27 boeken zouden later het geheel vormen, maar slechts 4 zouden expliciet over Jezus handelen.

Dit Nieuwe Testament werd veel later niet het werk van één man, maar het ontstond uit een cumulatie van een hele reeks visies en revisies. In de vierde en vijfde eeuw werden grote inspanningen gedaan om veel van de originele schriften aan te passen, te herschrijven of zelfs te vernietigen.

En daarna

Wat daarna kwam kennen we iets beter. De geïnstitutionaliseerde kerk zou nog vele eeuwen kampen met de basis ideeën die uit de Jezus periode stamden, de zogenaamd ketterse visies, de interne weerstanden tegen het apparaat Kerk, de vervolgingen door de Kerk zelf, de Inquisitie, het Protestantisme. Zelfs de kloosterordes die ogenschijnlijk binnen de Romeinse Kerk werken, dragen verschillende visies ( waarbij de scherpste contradictie deze tussen Franciscanen en Jezuïeten is).

De Kerk zelf wordt vandaag nog steeds heen en weer geslingerd tussen meerdere visies. Voorbeeld hiervoor vinden we in de respectievelijke aanduidingen van de pausen.

Trefwoorden: