Het grote Ratsjetoe (deel 4: voorlopige conclusies)

Voorlopige conclusies

Het traditionele verhaal over de oorsprong van de Koran is alleen gebaseerd op de stylistische uniformiteit van de tekst, op een bewijs dat in de Koran zelf kan gevonden worden, mede ondersteund door de traditionele verhalen ( de ahadith) over het leven van Mohammed. Het is niet gebaseerd op externe documenten of archeologisch of numismatische bewijsstukken.
Het alternatieve bewijs kwam er nadat een hele reeks problemen rond de officiële versie rezen die de onderzoekers niet langer naast zich konden neerleggen. De beslissende stap kwam er door John Wansbrough. In zijn Quranic Studies: Sources and Methods od Scriptural Interpretation (1977) en The sectarian Milieu: Content and Composition of Islamic Salvation History (1978) staan alle elementen vermeld die hij heeft aangepakt.

Hij pakte frontaal de historiografie van de vroege Islam aan door te wijzen op de afwezigheid van origineel bronnenmateriaal van de eerste eeuw van de geschiedenis van deze godsdienst. Hij concludeerde dat dit kwam omdat dit materiaal alleen bestond als orale traditie of tradities en dat vroege vormen van Koran niet bestonden. Hij dateerde de canon vorm van de Koran niet vroeger dan de derde Moslim eeuw, t.t.z. 9de eeuw MTR, zo’n 200 jaar nadat werd verteld dat Mohammed de openbaringen kreeg.

F.E. Peters merkte op in The Quest for the Historical Muhammed (1991) dat de Koran’s plotse verschijning in het midden van de 7de eeuw MTR een fabel is. Daniel Brown in A New Introduction to Islam (2004) concludeerde dat de argumenten van Wansborough onweerlegbaar waren en dat de traditionele Islamitische verklaring zelfvernietigend is. Zich baserend op de Bultmann vormkritiek ( eerder ook toegepast op bijbelse studies) verklaarde Wansbrough de teksten als literatuur, als fictie vertellingen uit meerdere verscheidene bronnen, inbegrepen orale tradities die over een vrij uitgebreide periode met mekaar werden verweven.

Hierbij merkte hij ook op dat vroege Koran documenten uitgebreid refereerden naar concepten, beelden en theologische materialen  stammend uit meerdere vormen van de judeo-christelijke monotheïstische traditie die uitgebreid aanwezig was in de westelijk Arabische regio voorafgaand aan de Islam. Hij vermoedde dat de religieuze beweging die evolueerde tot Islam begonnen was als een judeo-christelijke sekte in dit gebied.

Bijgevolg kan men zijn interpretatie het best classificeren als een “heilsgeschiedenis” gebaseerd op meerdere bronnen, die later terug geprojecteerd werd in de tijd toen de Arabieren een eigen originele religieuze identiteit probeerden op te bouwen. Daarbij komt Mohammed eveneens als een evenzo geconstrueerde mythe tevoorschijn, die de Arabieren een eigen profeet moest bezorgen, die bovendien nog boven alle vorige profeten en messiassen  moest uittorenen en alle volgende moest diskwalificeren. Maar, zo stelt Wansbrough, noch Mohammed, noch de Koran, noch Islam ontstonden plots miraculeus in de 7de eeuw MTR maar evolueerden over een periode van enkele eeuwen, zoals alle andere godsdiensten.

Deze visie werd gedeeld door Patricia Crone en Michael Cook, die in 1977 het controversiële boek Hagarism: The Making of the Islamic World publiceerden. Daarin stelden ze een herinterpretatie voor van de vroege Islam. Dit boek zette een hele beweging in gang van onderzoekers naar de vroege Islam.

Zoals Wansbrough, verwierpen Crone en Cook de Moslim stelling dat men uit de Islam bronnen zelf het werk kan plaatsen. Deze bronnen zijn aantoonbaar niet uit deze vroege periode, stelden zij. Er is geen enkel hard bewijs van enig bestaan van de Koran in de 7de eeuw. De historische juistheid van de Islam traditie is dus op zijn minst in zekere mate problematisch, concludeerden zij.

Wat verwijst als religieuze vertelling in de 7de eeuw, kan hoogstens en ten vroegste in de 8ste eeuw worden geplaatst. Dus, concludeerde zij, moeten we de officiële versies even terzijde schuiven en volledig herbeginnen. Deze reconstructie zegt Crone in haar boek Slaves on Horses: The Evolution on the Islamic Polity (1980), moeten we beginnen bij de massa beschikbaar materiaal van niet-Moslim origine ( Grieks, Armeens, Hebreeuws, Aramees, Syriac en Koptisch) uit diezelfde periode. Deze geven ons een meer precies beeld  van de Arabische wereld uit deze periode en wijzen zeer duidelijk naar het evolutionaire karakter van de Islam.

In hun visie waren Islam, het kalifaat en de Arabische veroveringen het gevolg van een rebellie tegen het Byzantische en het Perzische Rijk, beide door hun wederzijdse oorlogen in crisis. In het begin bestond een coalitie van Arabieren en Joden, beïnvloed door het joodse messianisme, in de niet-Moslim wereld bekend als de Hagarenen bronnen door hun bewering afkomstig te zijn van Abraham ( Sarah de joodse vrouw en Hagar de Arabische vrouw van Abraham). Toen deze coalitie uit mekaar viel om voorlopig niet heel preciese redenen, ontwikkelde zich een specifieke Arabische versie uit nood tot een eigen identiteit.

Een andere centrale figuur onder de revisionisten, is Christoph Luxenburg, een pseudoniem, die in zijn boek The Syro-Aramaic Reading of the Koran: A Contribution tot he Decoding of the Language of the Koran ( Duitse versie in 2000 en Engelse vertaling in 2007) stelde dat de opkomst van de Islam eerder moet gezien worden als een evangelisatie van Syrische christenen in Arabië. Hun leer, waarvan de concepten uit de eigen Syrisch-Aramese taal waren ontleend, werden door de Arabieren aangenomen en als leenwoorden in de orale traditie gebruikt. Alles ontwikkelde later tot centrale componenten van de Koran. Vele tegenstrijdigheden en onsamenhangende begrippen in de Koran worden duidelijker door bepaalde obscure woorden, zinnen en begrippen terug te brengen tot het originele Aramese leenwoord. Deze procedure verklaarde vele van die onduidelijkheden uit de Koran door ze te vertalen naar de oude, relevante en plausibele Aramese homoniemen.

Een verdere interessante revisionist is Gerd R. Puin, een authoriteit in oude Koran manuscripten. Hij was het hoofd van een restauratieproject door de Jemenitische overheid toen ze een groot aantal Koranieke en niet-Koranieke fragmenten vonden in 1972 in Sana’a. Onder deze ontdekkingen bevond zich een palimpsest ( oud overschreven perkament) dat de oudste Koran tekst bevat die we kennen. Een C14 koolstofdatering plaatst die niet later dan 660 MTR. Dit is dus blijkbaar nadat de canon vorm van de Koran was vastgelegd, maar er zijn duidelijk tekstuele verschillen. Dit veronderstelt een proces van tot stand komen van de Koran in tegenstelling tot de Moslim verklaring dat de Koran in perfecte en volledige vorm tot ons is gekomen. Hij concludeerde dat de proto-Islam religieuze beweging in permanente verandering is geweest tijdens zijn vroege jaren, dat de Koran een amalgaam is van teksten uit verschillende bronnen, die ten tijde van Mohammed nog niet ten volle waren aanvaard. Hij ontdekte ook een christelijk substraat in het materiaal, wat nog een andere benadering toelaat.

Samengevat is wat Ibn Warraq in zijn boek Virgins ? What Virgins ? vaststelt de voortzetting van de Wansbrough-Crone-Cook lijn ondersteund door nog een reeks andere onderzoekers.
Islam is, verre van ontstaan als een volklaar canon met pasklare en afgewerkte geloofsregels, riten, rituelen, heilige plaatsen en een heilig schrift, eerder een literaire creatie toen de Arabische krijgers zich verspreidden uit de Hijaz en in contact kwamen met ontwikkelde beschavingen, wat hen ertoe dwong een eigen identiteit te creëeren uit het beschikbare materiaal, dat werd herwerkt en aangepast aan een Hijaz kader.

In 2006 publiceerde Robert Spencer het boek The Truth about Muhammed, waarin hij alle vroege bronnen nog eens op een rij zette. Hij gaat hierin een stap verder door te stellen dat “vanuit historisch en documenten gericht standpunt het niet mogelijk is om met zekerheid te zeggen dat een man genaamd Mohammed heeft bestaan”. En hij besluit The available historical records contain a surprising number of puzzles and anomalies that strongly suggest that the standard Muslim story about Muhammed is more legend than fact. In de Koran, gaat hij verder, wordt de naam Mohammed slechts vier keer genoemd en dan nog eerder als een titel, de geprezene of de uitverkorene, dan als een eigennaam van een persoon. Noteer, zo zegt hij, dat bijvoorbeeld de naam Jezus vijfentwintig keer en Messiah elf keer wordt vernoemd in de Koran.

De bronnen over Mohammed kunnen we indelen in twee categorieën. Ten eerste is er de biografie van Ibn Ishak en afgeleide werk dat in de negende en tiende eeuw werd geschreven. En ten tweede zijn er de verzamelingen hadith van ongeveer dezelfde periode. Ohlig zegt hierover in The Hidden Origins of Islam dat deze werken ongeveer tweehonderd jaar na de feiten zijn geschreven en met de meeste omzichtigheid moeten worden benaderd. Brown bevestigt in A New Introduction to Islam dat alle verhalen over Mohammed kunnen teruggebracht worden tot Ibn Ishak, een tweederangs geleerde uit Medinah. Maar ook dat werk, zoals we hoger vermeldden, is afgeleid van het verdwenen werk van de negende eeuw schrijver Ibn Hisham. Verder dan deze onbetrouwbare bron zijn er geen tijdseigene documenten over de historische Mohammed. Gezien de snelle expansie van de Arabische veroveringen honderden jaren zouden duren en door geen enkele bezetting werden verstoord, zou men mogen aannemen dat er meer werken zijn bewaard gebleven. De kroniekschrijvers en historici zijn heel erg afwezig. Documenten vertellen ons over de verovering van Jerusalem in 635 MTR door de “goddeloze Saracenen die zich overgaven aan prostitutie en slachtpartijen” maar geen woord over hun religie of profeet of heilig boek. Alsof dat er nog niet was. In Doctrina Jacobi ( gedateerd tussen 635 en 640 MTR) spreekt men over een niet genoemde profeet van de Saracenen die was opgestaan in de regio, maar dit was na de officiële dood van Mohammed. Deze profeet echter predikte geen nieuwe godsdienst maar “de komst van de uitverkorene, de Christus die zou komen” ( een joodse of christelijke Messiah dus). Nergens vinden we op dat ogenblik sporen of vermeldingen dat een nieuwe godsdienst is ontstaan. Moslims beroepen zich graag op het opschrift dat op de Al Aqsah moskee in Jerusalem is gemarkeerd. Maar moderne ontleding toont aan dat het om een apocrief christelijke hymne gaat, die later in de Koran is opgenomen. Niet omgekeerd dus.

Gerd R. Puin vat het nog het best samen als hij stelt dat de Koran een cocktail van teksten is, een ratsjetoe van uiteenlopende verhalen ontleend in tijd en uit andere godsdiensten.

Samengevat, de imperatieven van het rijk waren er eerst en de theologie kwam later. De spirituele normen van de Islam werden bepaald om de politieke eenheid te rechtvaardigen en te bestendigen.

 

Bibliografie

De bibliografie is enorm. Er is in de eerste plaats de massa uitgaves uit de Arabische wereld, waarvan de meeste herhalingen van de opsommingen zijn van de officiële geschiedenis van Mohammed en de ontstaansgeschiedenis van de Islam. Kritische benaderingen hebben we in dit enorm aantal werken niet gevonden. De Islamisten, die een kritische noot laten horen, hebben allen in het Westen gepubliceerd en hebben bovendien eerst ernstige problemen gehad in hun eigen land ( moord, gedwongen scheiding, verbanning zijn de bekende feiten).
Het meeste wetenschappelijke onderzoek naar de geschiedenis aan de hand van vergelijkend materiaal, het tekstuele onderzoek van de Koran, naar de vondsten van opgravingen, naar de ontwikkeling en evolutie van de talen uit betrokken regio en naar de historische geschriften van omringende volkeren, is gebeurd door Oriëntalisten uit het Westen en het Midden-Oosten. Dit onderzoek gaat vandaag in versneld tempo verder.

Payne Robert, The history of Islam, Barnes & Noble New York 1992.
Warraq Ibn, The Quest for the Historical Muhammed, Prometheus Books, Amherst NY 2000.
Hisham Ibn, The Life of Muhammed, vertaald door A. Guillaume, Londen 1955.
Sfar Mondher, Le Coran est-il authentique ?, Parijs 2000.
Nöldeke T, Geschichte des Qurans, 2de editie Leipzig 1909-1938 ( 3 vol).
Lüling G., Uber den Ur-Quran, Erlangen, 1993.
Brock S. en Juynboll G., Studies in the first Century of Islamic Society, Chicago 1982.
Lester T, What is the Koran ?, Atlantic Monthly Press, New York 1999.
Burton J., Linguistic Errors in the Quran, JSS 33, no 2, 1988.
Al-Farra Yahya Ziyad, Ma’ani al-Qur’an, Beiroet 1955.
Berg H., The Development of Exegesis in Early Islam, Curzon Press, Londen 2000.
Rippin A., Muhammed in the Quran: the Issue of the Sources, Editor Brill, Leiden 2000.
Morgoliouth D., Textual Variations of the Koran in The Origins of the Koran by Ibn Warraq Prometheus Books, Amherst NY, 1998.
Morgoliouth D., Muhammed and the Rise of Islam, Londen 1905.
Wansbrough J., The Sectarian Milieu, Oxford 1978.
Vollers Karl, Volkssprache und Schriftsprache im alten Arabien, Straatsburg 1906.
Corriente F., From Old Arabic to Classical Arabic, JSS 21, 1976.
Hawting G., John Wansbrough, Islam and Monotheism in The Quest for the Historical Muhammed.
Geiger A., Judaism and Islam in The Origin of the Koran.
Hirschfeld H., Jüdische Elemente im Koran, Berlijn 1878.
Lammens H., Koran and Tradition – How the Life of Muhammed was Composed, in The Quest for the Historical Muhammed.
Lüling G., Preconditions for the Scholarly Criticism of Koran and Islam, Journal of Higher Criticism 3, no 1 1996.
Trimingham J., Christianity Among the Arabs in Pre-Islamic Times, Longman Londen 1979.
Irfan Shaid, Byzantium and the Arabs in the Fifth Century, Dumbarton Oaks, Washington 1989.
Crone P., Meccan Trade and the Rise of Islam, Blackwells, Oxford 1987.
Crone P., Hagarism: The Making of the Islamic World, Cambridge University Press, Cambridge 1977.
Torrey C., Jewish Foundations of Islam, Ktab Publishing House, New York 1967.
Ahrens K., Christliches im Quran. Eine Nachlese, ZDMG 84, 1930.
Jeffry A., Materials for the History of the Text of the Qur’an, E.J. Brill, Leiden 1937.
Peters F., Muhammed and the Origins of Islam, SUNY Press 1994.
Saudi Gazette 27 juli 2015, Experts doubt oldest Quran claim.
Deroche F., Qur’ans of the Umayyads: a first overview, Brill Publishers 2013.
Crone P., Cook M., Puin G., What is the Koran ?, The Atlantic Monthly januari 1999.
Nevo Y., Towards a Prehistory of Islam, Jerusalem Studies in Arabic and Islam, 1994.
Wansbrough J., Quranic Studies: Sources and Methods of Scriptural Interpretation, 1977.
Warraq Ibn, The Origins of the Koran: Classic Essays on Islam’s Holy Book, Prometheus Books, 1998.
Shahab Ahmed, Satanic Verses in Dammen Mc Auliffe Encyclopaedia of the Quran, Georgetown University, 2008.
Parwez. Islam: A Challenge to Religion. PDF.
Schacht J., The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950.
Nigosian S., Islam: its history, teaching and practices, Bloomington, Indiana University Press, 2004.
Puin G. en Ohlig K-H., The hidden Origin of Islam.
Luxenberg C., The Syro-Aramaic Reading of the Koran: a Contribution of the Decoding of the Language of the Koran.
Bashear S., Arabs and Others in Early Islam, New Jersey 1997.
Cook M., Early Muslim Dogma: A source Critical Study, Cambridga 1981.
Crone P. en Hinds M., God’s Caliph: Religious Authority in first Centuries of Islam, Cambridge 1986.
Dashti A., Twenty-Three Years: a Study of the Prophetic Career of Mohammed, Londen 1985.
Muir W., The Life of Mohammed, Londen 1894.
Puin G., Observations on Early Qur’an Manuscripts in San’a, in The Qur’an as Text. 1996.
Muhammad Abu al-Fraj., Arabic Inscriptions from Jabal ‘Usays, origineel in Arabisch in Al-Abhat 1964.
Lüling G., Preconditions for the Scholarly Criticism of the Koran and Islam, in Journal of Higher Criticism 3, no 1, 1996.
Trimingham J., Christianity among the Arabs in the Fifth Century, Longman, Londen 1979.
Katsch A., Judaism in Islam, New York University Press, 1954.
Bell R., The Origins of Islam in Its Christian Environment, Macmillan & Co, New York, 1921.
Hirschfeld H., New Researches into the Composition and Exegesis of the Quran.
Casanova P., Mohammed et la fin du Monde, Paris 1911-1921.

 

 

Trefwoorden: