Het judaïsme (deel 4) : literaire en historische kritiek

Situering

De plaats waar de Hebreeuwse  stammen zich vestigden ( de heuvels van Judea, weg van de kust) was omringd door meerdere andere kleinere koninkrijken ( Edom, Moab, Filistijnen, Canaan. Maar het was in de eerste plaats gesitueerd daar waar de grenzen van alle grote en machtige rijken ( Egypte, Babylonië, Assyrië en Perzië) mekaar raakten of overlapten. Deze ligging is de bepalende factor geweest voor de gehele geschiedenis van de Israëliërs.

Wat de archeologie en de historici ons vertellen

Er bestaat inmiddels een veelvoud aan bewijzen dat de geschiedenis der Patriarchen ( Abraham, Isaak en Jakob), evenals de slavernij in Egypte, de Exodus en de zevenjarige campagne ter verovering van Canaan, niet hebben plaats gehad. Integendeel, de Israëlieten waren Canaanieten die in het vroege Bronstijdperk, ruwweg vanaf 1200 VMTR uit de originele bevolking zijn ontstaan.
Tot het koningschap van Josiah in de 7de eeuw VMTR was hun geloof een Canaanitisch polytheïsme. Het Canaanitisch pantheon ( Elohim genaamd) was nagenoeg hetzelfde als dat van de Israëlieten waarbij ze hun eigen oorlogsgod Jahweh toevoegden als één van de zonen van de god van de hemel, El. Onder Josiah werd hun godsdienst monolastrisch, waarbij El en zijn zoon Jahweh stap voor stap samensmolten tot één god Jahweh. Maar het echte monotheïsme ontstond slechts na de verbanning naar Babylon.

Noteer dat we helemaal geen idee hebben waar de Canaanieten vandaan komen. Niets is tot op heden over hen bekend. Hun verhalen over het ontstaan van de wereld lijken op de Mesopotamische, en de oudst bewijsbare vondst van Semitische taal is eveneens gevonden in Mesopotamië. Maar dit is dan ook alles en te weinig om iets te kunnen afleiden. Over eventuele migraties van stammen naar Canaan vinden we ook niets.

Een hele serie van de “historische” feiten uit het boek kwamen langzaam maar zeker onder vuur. In de jaren 1920 kreeg een Israëlier Yohanan Aharoni het hele archeologische establishment over zich heen toen hij beweerde dat er geen enkel overtuigend bewijs kon worden aangevoerd voor de militaire verovering van het gebied door de Israëliers in de dertiende eeuw VMTR. Dit argument baseerde hij op een herdatering van potscherven uit een opgraving van de bijbelse stad Hazor. Hij stelde dat de eerste Hebreeuwse inwijkelingen zich vreedzaam en op een niet gewelddadige wijze onder de Canaanieten hadden gemengd. In de jaren 1930 hadden archeologen beweerd dat de muren van Jericho waren gevallen ongeveer zoals het boek Joshua vertelde, maar de Britse archeologe Kathleen Kenyon slaagde erin te bewijzen aan de hand van Myceense potscherven gevonden in de ruïnes dat de vernietiging van Jericho niet later dan 1300 VMTR was gebeurd, een heel eind dus voor de veroveringstocht zoals in het boek beschreven. Joshua’s leger was dus niet verantwoordelijk voor het vallen van de muren van Jericho. Het archeologisch gebouw van Yigael Yadin, boegbeeld van de oude archeologie, begon te wankelen.

Toen hij probeerde de tijdsspanne van het vertrek van Abraham uit Ur te bepalen kwam de uiterst gerespecteerde Amerikaanse archeoloog William F. Albright tot de slotsom dat hij tussen 2100 en 1800 VMTR met een grote migratie van Amoriet ( letterlijk westelijke) woestijnnomaden was vertrokken. Maar opgravingen en onderzoek naar stadsontwikkeling en nomadische patronen wezen uit dat een dergelijke massale migratie niet had plaats gevonden en dat meerdere steden die in Genesis worden genoemd nog niet bestonden in dat tijdperk. “Bijbels geïnspireerde” archeologen probeerden vervolgens deze vertrekdatum op te schuiven naar ongeveer 1500 VMTR, maar dan werden belangrijke steden uit die specifieke periode niet in Genesis vermeld. De bijbelteksten klopten helemaal niet met de archeologische vondsten uit het tweede millenium.

Reeds in de jaren 1870 had Julius Wellhausen gesteld dat de literaire constructie, de grammaticale en taalverschillen en de losse connecties tussen de verschillende verhalen erop wezen dat de geschiedenis van de Patriarchen in fragmentaire delen waren samengebracht en hoe weinig eenheid in deze verhalen stak. De Genesis is, zo stelde hij ook nog, geen kroniek van oorspronkelijke gebeurtenissen maar een kunstmatige constructie, een verhalend gebinte dat lang na de feiten aan mekaar werd geplakt samen met een hele serie onsamenhangende volksverhalen als een reeks parels op een koord.
De eerste archeologen ( de bijbelarcheologen) hadden dus duidelijk de meest elementaire blunder gemaakt door de feiten te doen passen in het vooraf bepaald skelet van het bijbel verhaal, eerder dan de feiten voor zichzelf te laten spreken. Het resultaat van deze stroming was misschien een tijdelijke verstandhouding tussen wetenschap, religie en politiek in de jaren 1950, die niet lang stand zou houden. Het toppunt hierbij was het Massada verhaal met zijn religieuze en politieke implicaties. Ook dat werd later weerlegd.

Maar toen kwamen dus Aharoni en Kenyon. En het hek was van de dam. Alle bevindingen werden opnieuw bekeken, in vraag gesteld en met de modernere technieken juister in de tijd geplaatst. Exodus werd nader bekeken, en vervolgens de “verovering” van het koninkrijk op de Canaanieten en Filistijnen. Ten slotte werd Koningen intensief onderzocht.  
En daarna kwamen Israel Finkelstein van de Tel Aviv universiteit en Neil Asher Silberman, die in hun veelbesproken boek The Bible Unearthed opmerkten dat de verhalen uit Patriarchen meerdere malen kameel karavanen vermelden ( Genesis 24 ), maar dat er vóór 1000 VMTR geen enkel bewijs werd gevonden van aanwezigheid van kamelen en dat de Filistijnse koning Abimelech ( Genesis 26) ook onmogelijk is aangezien er vóór 1200 VMTR geen Filistijnen in het gebied waren.

Zoals het probleem was ontstaan toen de eerste wetenschappers het tijdsframe van Abraham hadden vastgelegd, dat in tegenspraak was met de recentere en accuratere tijdsbepalingen, zo ook creëerden bepaalde elementen uit Exodus een complete verwarring en tegenspraak. In het boek Numeri staat dat de Israëlieten op hun vlucht uit Egypte werden aangevallen door de Canaanitische koning van Arad. Arad bestond echter reeds in de Bronsperiode tussen 3500 en 2200 VMTR en in ongeveer 1150 VMTR werd er een fort gebouwd, zoals de opgravingen bewijzen, maar in de tussenperiode was de plaats verlaten. En dus is de situering in de bijbel verkeerd. Verder zegt het boek dat de Israëlieten een gevecht aangingen met de Amorieten koning Sihon rond de stad Heshbon, maar opgravingen toonden aan dat de stad toen nog niet bestond. Hetzelfde gold voor de stad Edom.

Finkelstein en Silberman halen verder de voorbeelden aan van verkeerde tijdsdateringen, gebaseerd op de oude methodes, voor Jericho ( bestond nog niet ten tijde van Joshua) en Hazor ( ongeveer 100 tot 300 jaar na Jericho verwoest) en van Ai ( ten tijde van de zogezegde verovering door de Israëlieten volledig verlaten sinds méér dan duizend jaar). Wat daarentegen wèl enigszins op een redelijk welvarend koninkrijk bestond in de 9de eeuw VMTR was het koninkrijk van Omri, dat een ruim deel van Israël omvatte. Koning Omri zelf en zijn zoon worden door Egyptenaren en Assyriërs genoemd in tegenstelling tot David en Salomon. Beide archeologen gaan ervan uit dat bij de samenstelling van de bijbel de auteurs het verhaal van Omri hebben ontleend om er een Judah geschiedenis van te maken.
Onmiddellijk na de Zesdaagse Oorlog werden intensief opgravingen en onderzoeken verricht. Oude muren en potscherven werden minutieus bekeken. En de conclusies waren spectaculair verrassend. De analyse van nederzettingen toonde duidelijk aan dat een verschillende Israëlitische cultuur ontstond in het midden van de Canaan cultuur toen rondtrekkende herders hun kuddetochten stop zetten en zich in deze heuvelachtige omgeving vast gingen vestigen rond 1200 VMTR. De Israëlieten waren dus een inheemse cultuur, gelijkaardig aan de omringende stammen en volkeren. Er werd wel één merkwaardige uitzondering gevonden: er werden in hun nederzettingen geen varkensbeentjes gevonden. Een overblijfsel van hun contacten met de Egyptenaren tijdens hun tochten met de kuddes tot aan de Nijldelta ? Waarschijnlijk net zoals ook de praktijk van de besnijdenis en het vieren van het paasfeest.

Waarom hadden ze dan wel een identiteit als veroveraars nodig en waartoe dienden de verhalen over de invallen ? Een plausibele uitleg zou zijn dat volkeren in de oudheid geen rechten lieten gelden op een grondgebied omdat ze er hun vee lieten grazen, maar wel als ze het hadden veroverd met de wapens. Het begrip “ oorspronkelijke bewoners” is een uitvinding van de 20ste eeuw MTR ! Het morele recht op het grondgebied konden ze dus alleen claimen als ze het hadden veroverd.

De eerste historische en niet-supernatuurlijke gebeurtenis uit de Torah is het verhaal van Abraham die met zijn volk uit Ur gaat emigreren om naar een “beloofd” land op zoek te gaan. Hierbij zou Abraham de eerste zijn geweest die in één god geloofde. Technisch gezien was Abraham een Sumeriër of een Chaldeeër. Indien het verhaal waar is zou dit volgens de tijdslijn van de Torah zijn gebeurd rond 1800 VMTR, drie of vier generaties voor zijn volk in een periode van hongersnood naar Egypte trok. Ze leefden daar, nog steeds volgens deze tijdslijn iets meer dan 200 jaar alvorens Mozes te volgen door de Sinaï woestijn.
Over de controverses rond de figuur Mozes hebben we het reeds in een eerder hoofdstuk gehad.  Enkele minimalisten, die proberen de geschiedenis te laten gelijk lopen met het bijbelverhaal stellen dat Mozes een Egyptische edele zou zijn geweest, die als priester van de Aton ( soms Echnaton of Akhenaten genoemd) cultus werd vervolgd en met een grote groep polytheïstische slaven uit Egypte zou zijn overtrokken. Deze Aton cultus is de eerst bekende poging tot monotheïstische godsdienst met de zon als enige god. Mozes ( wat in het Egyptisch van die tijd zoon betekende) bekeerde deze slaven tot monotheïsten. Noteer dat ze van de Egyptenaren nog andere tradities hadden meegenomen. Verder halen de verdedigers van deze theorie aan dat er een zeer grote gelijkenis is tussen de Grote Hymne van Aten en Psalm 104. Ook dit is hoogst speculatief.

Verder stelt de bijbel dat David en Salomon, die koning van het zuidelijke koninkrijk Judah zouden zijn geweest ergens tussen 1005 en 931 VMTR, het hadden verenigd met het noordelijke koninkrijk Israël. Een korte periode van eenheid en macht dus. Dit koninkrijk was, steeds volgens de bijbel, een macht in het Midden-Oosten. Verder zegt de bijbel dat Salomon een meester-bouwer was en grote rijkdom had aangelegd. Hij zou uit gouden bekers hebben gedronken, zijn soldaten hadden gouden schilden, hij had een vloot en een harem met 1000 vrouwen en concubines en hij besteedde dertien jaar aan het bouwen van zijn paleis en de tempel voor de Ark des Verbonds. Helaas werd door de archeologen nooit een beker of een tegel gevonden om dit te staven.

Indien David en Salomon zo invloedrijke koningen waren geweest, hadden we ongetwijfeld monumenten met hun naam gevonden of diplomatieke geschriften. Er werd inderdaad een inscriptie gevonden waarop stond dat ene Ahaziahu, zoon van Jehoram, koning van het huis David was geweest. Er kan dus wel een David zijn geweest die de koninklijke lijn van Judah heeft gesticht, maar een bewijs van zijn machtig rijk is geenszins gevonden. Steeds volgens de bijbel was Judah de machtsbasis van David, maar archeologisch onderzoek toont aan dat Judah in de elfde en tiende eeuw VMTR een arm en achterlijk gebied was dat zeker geen militaire expedities kon bekostigen. Sporen van rijkdom of buit werden evenmin gevonden. Jerusalem was nauwelijks méér dan een boerengat toen Salomon er zogezegd een schitterende hoofdstad van maakte. Hoewel een aantal archeologen lang de bouw van meerdere paleizen in de noordelijke steden Gezer, Hazor en Megiddo aan Salomon hadden toegeschreven, hebben recente moderne dateringen aangetoond dat deze steden méér dan een eeuw na de Salomon periode zijn gebouwd.

New York Times schrijft op 29 juli 2000 het volgende: wij dienen te noteren dat David de naam is van een oude Canaanitische god. In 1975 werden in Ebla, Syrië, 20 000 kleitabletten gevonden van méér dan 4500 jaar oud ( nvdr: méér dan duizend jaar voor David en Salomon). Ze vermelden de namen van Canaan goden, zoals Ab-ra-mu ( Abraham ?), E-sa-um ( Esau ?), Ish-ma-ilu ( Ishmael ?). Latere periodes vermelden Da’u’dum ( David ?) en Sa-u-lum ( Saul ?). Indien deze link wordt bevestigd, hebben we een nieuw discussie platform.

Historische en literaire kritiek

Zoals eerder gesteld is er een zeer ernstige twijfel over een historische figuur Mozes, maar de vijf boeken werden zeer lang aan Mozes toegeschreven.  Dit zou betekenen dat de Exodus door de betrokkene als ooggetuige was meegemaakt. De onderzoekers begonnen zich echter ernstige vragen te stellen over deze bewering. Nadere studie toonde zeer grote onsamenhangendheden, duplicaten, tegenspraken en opmerkelijke verschillen in stijl en woordenschat. Dat bracht twijfel over de mogelijkheid dat één enkel persoon deze werken kon hebben geschreven.
Genesis vertelt twee ontstaansverhalen ( Genesis 1:1-2:3 versus 2:4-25) en twee verhalen over de nakomelingen van Adam ( Genesis 4:17-26 versus 5:1-28) en verder nog twee verhalen over de zondvloed ( Genesis 6:5 versus 9:17). In het verhaal der Patriarchen zijn er niet alleen dubbels, maar zelfs tripels van hetzelfde verhaal.

Bovendien is de aarde volgens het boek 6000 jaar oud ( door terugrekening komen we aan 4004 VMTR). Sommige culturen, die de scribes duidelijk niet kenden, zijn ouder. Moderne technieken hebben recent nog bepaald dat de mens zelf méér dan 200 000 jaar oud is, misschien zelfs 400 000 jaar. En het ontstaan van de wereld ( wat de juiste definitie ook moge zijn) wordt op een paar miljard ( 4,54 om precies te zijn) jaren geschat.

Theologen van alle mogelijke joodse en christelijke strekkingen hebben tegen deze wetenschappelijke bevindingen verdedigingen opgebouwd. De tekst moet metaforisch worden geïnterpreteerd of in zijn juiste context, stellen zij. En Genesis 2 is eigenlijk maar een verdere uitleg van Genesis 1 met extra precisering. Of de vertaling is niet helemaal juist, wordt nog door anderen gezegd. Maar welke verdediging men ook opbouwt, het probleem blijft dat er tussen de verhalen duidelijk stijlverschillen in de taal bestaan, wat in de eerste plaats duidt op een ander tijdstip en een andere auteur. Tweede probleem is dat er wetenschappelijk onbegrijpelijke verhalen worden verteld. Bijvoorbeeld dat het licht werd gecreëerd op de eerste dag en de zon op de vierde dag. Domme vraag: waar kwam het licht vandaan en als de zon er nog niet was hoe bepaalde men het begrip “dag”.

De zogenaamde Oergeschiedenis, die de eerste 11 hoofdstukken van de Genesis uitmaken, zijn duidelijk legende en fabel tegelijk. Adam ( = mens in het Hebreeuws) en Eva ( = leven) in het land van Nod ( =omzwerving) zijn simbolisch en ver van de werkelijkheid. De verhalen zijn allemaal “eerste” gebeurtenissen: de eerste moord, de eerste wijn, enz… Namen die verder worden genoemd, komen nergens anders in de bijbel voor alsof, zeggen wetenschappers, men dit deel als een inleiding later heeft toegevoegd. Waarschijnlijk eveneens in de Babylonische periode omdat er zoveel elementen uit de Babylonische mythologie voorkomen.

Over het verhaal van de Zondvloed zijn alle wetenschappers het eens dat er twee verschillende bronnen zijn die met mekaar werden verweven. Vandaar tegenstrijdigheden in het verhaal. In Genesis 6.19-20 en 7.9 en 7.15 treden de dieren per koppel in de Ark en in Genesis 7.2-3 per zeven.

  • In Genesis 7.10 komt het water van de Zondvloed van onder de aarde en in Genesis 7.4 en 7.12 komt het water van de regen.
  • In Genesis 7.13 en 7.7 betreden Noah en familie de Ark tweemaal.
  • In Genesis 7.11 en 8.13 duurt de Zondvloed één jaar en in Genesis 7.17 veertig dagen.

Zoals we weten is de basis van het verhaal gebaseerd op het veel vroegere verhaal uit de Eridu Genesis, het epos van Atrahasis en het epos van Gilgamesh. Ontzettend veel details zijn identiek, alleen enkele contextelementen zijn verschillend: het aantal beschreven goden bijvoorbeeld. Het verhaal was blijkbaar zo goed en zo algemeen bekend dat het generatie na generaties werd verteld en herhaald en uiteraard ook aangepast. Bij de Grieken vinden we het verhaal eveneens terug en nog later in de Koran.

Vreemd genoeg zijn alle geologen en in het bijzonder Charles Lyell met zijn principe van uniformitarianisme, aangevuld met de werken van Stephen J. Gould, het erover eens dat er geen zondvloed op wereldvlak heeft plaats gevonden, ondanks het feit dat er op heel veel plaatsen in de wereld ( Azië, Amerika, Australië) zondvloedverhalen werden verteld bij de lokale bevolkingen. Men neemt aan dat in meerdere grote stroomgebieden gelijkaardige fenomenen hebben plaats gehad, meer dan waarschijnlijk niet in dezelfde periode, en met verschillende oorzaken aan de basis. Sommige grote culturen met een uitgebreide geschiedschrijving en archief, zoals de Egyptenaren, hebben anderzijds geen zondvloedverhalen, alleen maar overstromingsnoteringen.
Voor een universele zondvloed, zoals de bijbel ons laat verstaan, zijn geen bewijzen.
Er bestaat nog steeds de theorie van de Zwarte Zee doorbraak als gevolg van smeltend ijs na het IJstijdperk volgens één theorie en als gevolg van een meteoorinslag met enorme tsunami’s als gevolg volgens een andere bron. In beide gevallen met ernstige gevolgen voor Mesopotamië en het Midden-Oosten, maar geologen stellen wel dat dit niet in het tijdsbestek van het bijbel verhaal kan zijn gebeurd, maar veel vroeger. Dan zou het dus een zeer oud overgeleverd verhaal zijn van deze ernstige lokale gebeurtenis. Het bijbel verhaal zelf is echter met een religieus doel ontleend aan andere culturen.

Het verhaal van de toren van Babel is, in de context van onze huidige kennis, een politiek pamflet. Het verhaal is overduidelijk geen aanklacht tegen urbanisatie of de gebakken steen, en ook niet van menselijke samenwerking. En het gaat al zeker niet over menselijk verwaandheid die god uitdaagt. En ook niet over het ontstaan van de talen en de verspreiding van de volkeren over de aarde.
Deze korte geschiedenis ( nauwelijks negen verzen) gaat niet over de toren. Of deze nu de oude ziggurat van Babylonië was of niet, is bij deze niet relevant. De veroordeling gaat niet over het bouwen van een toren die tot in de hemel zou reiken, maar om een toren als verdedigingsbouwwerk en dus als teken van aardse macht. Een aspect van deze macht gaat over de praktijk van Assyrië om alle onderworpen volkeren de taal van de veroveraar op te leggen. Een aantal Assyrische inscripties tonen dit aan. Een inscriptie van Sargon ( regeerde van 722 tot 705 VMTR) zegt expliciet dat veroverde volkeren met vreemde taal één enkele taal moeten aanvaarden. Het was juist deze oplegging van een eenheidstaal, die inging tegen onder andere de wil tot hegemonie van het joodse volk en een dreiging tot verlies van haar eigenheid. Taaleenheid was wenselijk en nodig om een dergelijke toren te bouwen. Maar dit ging in tegen de religieuze verzuchtingen van de joodse priesterklasse. Babel, wat eigenlijk de poort der goden ( Bab-Ilu) betekent omdat bovenop iedere ziggurat een tempel stond, kreeg dus ironisch in Genesis 11 de betekenis van verwarring.

In Exodus vertelt god aan Mozes dat Abraham, Isaak en Jakob hem hebben gekend als El Shaddai en niet Jahweh. Maar de Patriarchen refereren steeds naar god als Jahweh in Genesis en god zelf deelde zijn naam Jahweh mee aan Abraham in Genesis 15:7 en aan Jakob 28:13.

In Exodus 3:1 en 18:1 wordt de schoonvader van Mozes Jethro genoemd, maar in Nummers 10:29 en in Rechters 4:11 wordt hij Hobab genaamd. Nummers 21 beschrijft de weg die de Israëliërs volgden van de berg Hor naar Canaan, maar die verschilt helemaal van de beschrijving in Nummers 33. Aaron, de broer van Mozes, stierf op de berg Hor volgens Nummers 20:22-29 en 33:38 en ook volgens Deuteronomie 32:50. Maar Deuteronomie 10:6 beweert dat Aaron stierf en begraven werd bij Moserah ( soms ook Moseroth genoemd).

Er worden ook verschillende verhalen genoteerd over het aantal wetten dat god verondersteld werd te hebben gegeven aan Mozes. Verder moeten volgens Exodus 20:24 offers worden gebracht op altaren in plaatsen die god heeft gekozen. Maar Deuteronomie 12:1-14 maakt duidelijk dat er slechts één offerplaats mocht zijn. Exodus 21:2-7 stelt dat mannelijke Hebreeuwse slaven na zes jaar moesten worden bevrijd, maar dat vrouwelijke Hebreeuwse slavinnen dit niet ten deel viel. Maar Deuteronomie 15:12 zegt dat beide na zes jaar moeten worden bevrijd.
Reeds in de tweede eeuw MTR werden twijfels geuit over de referentie naar de dood van Mozes. Rabbi Isaak ibn Jashush ( gestorven in 1056; geen geboortedatum bekend) erkende dat volgens Mozes de Edomitische koningen regeerden ( Genesis 36:31) over de koningen der Israëlieten, maar Mozes kon op dat ogenblik onmogelijk weten dat er Israëlitische koningen zouden komen. Dus opperde de rabbi zware bedenkingen bij dit verhaal.

Uit Exodus kennen we allen, voornamelijk door de film van Cecil B. Demil, het verhaal van de scheiding van het water van de Rode Zee. Maar er is geen water te scheiden in de Rode Zee want er bestaat aan de Sinai kant een heel grote grens met Egypte, vandaag weliswaar onderbroken door het Suez kanaal. Bovendien was dit gebied eveneens Egyptisch ( dus geen vlucht uit Egypte maar binnen Egypte). In Patriarchen kan men trouwens lezen dat men langs deze weg naar Egypte ging. De Rode Zee ligt veel zuidelijker. De scribes kenden duidelijk hun geografie niet.
We nodigen de aandachtige lezer uit zelf op onderzoek te gaan en vast te stellen dat er een honderdtal tegenstrijdigheden in de bijbel staan.

Afronden

Meer dan tweehonderd jaar intense studie van de Hebreeuwse teksten en een uitgebreid onderzoek in het gehele gebied van Tigris en Eufraat hebben ons ertoe gebracht te begrijpen wanneer, waarom en hoe de bijbel tot stand kwam. Gedetailleerde analyse van de taal en de verschillende literaire genres van de bijbel heeft bij onderzoekers geleid tot het identificeren van de orale en geschreven bronnen waarop de bijbel tekst is gebaseerd.

Tegelijkertijd heeft de archeologie een opmerkelijke, verbazingwekkende, bijna encyclopedische kennis opgebouwd van de materiële omstandigheden, de talen, de gemeenschappen en de historische ontwikkelingen tijdens de eeuwen waarbinnen de tradities van het oude Israël zich kristalliseerden, ruwweg  een periode van zeshonderd jaar, van ongeveer 1000 tot 400 VMTR.
Dit alles heeft ons toegelaten met deze mix van tekstueel inzicht en archeologische bewijzen het onderscheid te maken tussen de kracht en de poëzie van de bijbel saga en de meer aardse gebeurtenissen en processen van de geschiedenis van het oude Midden-Oosten.
 

Bibliografie

Gordon Wenham, Pentateuchal Studies Today, Themelios 22.1
Randel McCraw Helms, The Bible against itself, 2006.
Israel Finkelstein en Neil  Silberman, The Bible Unearthed, Simon & Schuster, 2001.
Thomas Römer, L’invention de dieu, Ed. du Seuil, Parijs, 2014 ( origineel in het Duits).
Doane, Bible myths and Their Parallels in Other Religions.
Gary Greenberg, 101 Myths of the Bible: How Ancient Scribes invented Biblical History.
Joseph McCabe, The Forgery of the Old Testament.
James Barr, BIBLICAL Chronology? Fact or Fiction ?, University of London, 1987.
Mark Isaak, The Counter-Creationism, University of California Press, 2007.
Phil Senter, The Defeat of Flood Geology by Flood Geology, California State University, 2014.
Josh McDowell en Don Stewart, Answers tot Though Questions, Scripture Press, 1988.
Gleason W Archer, Encyclopedia of Bible Difficulties, Grand Rapids, Michigan, 1986.
Karen Armstrong, In the Beginning, New Interpretation of Genesis, Knopf, 1999.
Robert Alter, Genesis: Translation and Commentary, Norton, 1996.
John R Rice, Attack on the Bible, Murfreesboro, 1965.
Michael Shermer, Why People Believe Weird Things, Freeman, New York, 1997.
Harry Morris, Science and the Bible, Moody Press, Bucks, 1988.

Voetnoot bij het uniformitarianisme. Is een leerstelling in de geologie en aanverwante wetenschappen stratigrafie, geofysica, natuurkunde, paleontologie, biologie en anthropologie, eerst geformuleerd door Charles Lyell en bijgewerkt door voornamelijk Stephen J. Gould ( Myth and Metaphor in the Discovery of Geological Time, Harvard University Press, Cambridge USA, 1987). Deze leerstelling gaat van vier stellingen uit:
-    Gelijkvormigheid van wetmatigheid: natuurwetten zijn constant in tijd en ruimte.
-    Gelijkvormigheid van methodologie: de hypotheses waarmee we het geologisch verleden verklaren zijn analoog aan deze van vandaag.
-    Gelijkvormigheid van soort: oorzaken van het verleden en het heden zijn dezelfde, met dezelfde energie en geven hetzelfde resultaat.
-    Gelijkvormigheid van niveau: geologische omstandigheden zijn in de tijd dezelfde gebleven.

Iedere annotatie kan zonder de andere. Met andere woorden: alles wat we vandaag wetenschappelijk vaststellen in de geologie is hetzelfde als in het verleden.  

 

 

Trefwoorden: