Guldensporenslag

Guldensporenslag

Het paradepaard van de nationalistische beweging in Vlaanderen en het schoolvoorbeeld van geschiedenisinterpretatie en mythevorming is het verhaal over de Guldensporenslag.

Wat er aan voorafging was de zoveelste episode van de Vlaamse vazal tegenover zijn Franse leenheer, van de eerste tekenen van een conflict tussen het patriarchaat en de ambachten, wier economisch impact nog niet was omgezet in politieke macht, tussen de rijkere steden en het verpauperde platteland.

Bij dit alles moeten we ons ook voorstellen dat Vlaanderen toen ongeveer het gebied was van het huidige Oost-Vlaanderen tot de Dender, het huidige West-Vlaanderen en Zeeland onder de Westerschelde, het huidige Frans-Vlaanderen en een deel van Henegouwen.

Antwerpen, Brussel en Mechelen behoorden met Breda en ’s Hertogenbosch tot het hertogdom Brabant en Limburg behoorde tot het Duitse Rijk.

De context

Wat eraan voorafging en wat erop volgde, plaatst de Guldensporenslag in zijn echte context. Wat de Guldensporenslag historisch maakt is niet het gevecht van Vlaanderen tegen de Franse koning, maar het feit dat voor het eerst een staand leger een ruiterleger versloeg. Een militair feit dus.

De basis van de woelige periode en de uitbarsting in 1302 was zoals dikwijls verhoogde belastingen door het Franse koningshuis, wier geldhonger nooit stopte. Reeds vanaf 1279 kwamen regelmatig opstanden voor in de regio. Van 1279 tot 1281 in Doornik, van 1280 tot 1283 in Sint-Omaars, in 1280 in Ieper, van 1280 tot 1281 in Brugge en in 1280 in Gent. De opstandige ambachten eisten telkens een controle en invloed op de opgelegde belastingen. Hierbij botsten ze met de patriciërs die voordeel haalden uit deze belastingen en daarom de leenheer, de Franse koning, steunden. De ambachtsgilden vonden steun in hun strijd bij de graaf van Vlaanderen, die op zijn beurt de macht van de patriciërs wilde beteugelen.

In het welvarende Vlaanderen was de macht van de leenheer, de Franse koning, relatief zwak. De steden hadden zelf langzaam een eigen macht opgebouwd. In dit machtsspel van patriciërs met de steun van de Franse koning en de steden met steun van de graaf van Vlaanderen, zijn er voortdurend confrontaties en machtsgrepen geweest met wisselende allianties en coalities vanaf 1127-1128 tot ongeveer 1566-1584. Deze tijdspanne betekent dus strijd tegen zowel de Franse koningen, de Bourgondiërs en de keizer van het Roomse Rijk, keizer Karel himself. Het betekende ook de wisselende politiek van de steden om hun machtspositie te verbeteren, soms te behouden en soms te heroveren. Dit ging ook vaak gepaard met onderlinge twisten tussen de Vlaamse steden.

Bij een opstand in het begin van 1302 hadden de Gentenaars een belastingverlaging bekomen en zouden dus een eerder twijfelachtige houding aannemen bij de Brugse opstand, die begon met de Brugse Metten op 17 mei 1302 en leidde tot de Guldensporenslag. Arnold van Loon ( graaf van Loon, een regio die nu te situeren is ter hoogte van Borgloon) een leenman van Gwijde van Namen ( zoon van Gwijde van Dampierre) had evenmin veel zin om tegen de Fransen op te trekken, deed een stop bij de hertog van Brabant ( die voor de Franse kroon was) op zijn weg naar Kortrijk. De Brabanders stonden, zoals vermeld aan de kant van de Franse koning.

De feiten

Uit Loon werden echter twee leenmannen van de graaf gestuurd (?) en uit Gent kwam het enfant terrible van die tijd, Jan Borluut met een bende van 700 huursoldaten. En uit Brabant hadden een paar lokale heren besloten ook een paar honderd man te sturen tegen de wil van de hertog in. Brugge stuurde tussen 2600 en 3700 krijgers ( de stadsrekeningen zijn niet helemaal duidelijk). Ze werden aangevoerd door Willem van Gulik ( franstalig). Ieper stuurde 500 man. Het Brugse Vrije stuurde ongeveer 2500 man onder leiding van Gwijde van Namen ( franstalig). Oudenaarde en Aalst stuurden ongeveer 2500 man. Dit betekent in totaal ongeveer 9000 man aan Vlaamse zijde en 8500 man aan Franse zijde. Deze laatsten waren echter goed uitgeruste beroepssoldaten en beschikten over 2700 ruiters te paard. Deze cijfers zijn wel enigszins anders dan de propagandistische informatie van Hendrik van Conscience in zijn boek De Leeuw van Vlaanderen. De Vlamingen stonden grotendeels onder de leiding van franstaligen. Een groot deel van hun strijders waren huurlingen, die betaald werden door de rijke stad Brugge. De rol van de Bruggelingen Pieter De Coninck en Jan Breydel is enigszins duister. Van beide zijn er geen bronnen dat ze zouden deelgenomen hebben aan de Brugse Metten. De Coninck was een nogal gewelddadig man die in meerdere vechtpartijen was betrokken ( waarvoor hij meerdere gerechtelijke straffen kreeg) en over Jan Breydel is er geen enkel historisch bewijs gevonden dat hij in Kortrijk aanwezig was, alleen dat hij de vleesleverancier van het Vlaamse leger was. In ieder geval was geen van beiden een legeraanvoerder tijdens de slag. Dat waren Willem van Gullik, Gwijde van Namen en Jan van Renesse, met een mindere rol van Jan Borluut.

De mythes

De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience werd in 1838 geschreven, en volgens enkele bronnen gesubsidieerd door Leopold I om het patriotisme van het nieuwe België aan te wakkeren. De oorspronkelijke franstaligheid van Conscience is duidelijk te herkennen in slecht Nederlands en de vele Franse grammaticale constructies. Feit is dat ook heel wat historische gegevens bij Conscience compleet fout zitten. Het “aangepaste” verhaal paste echter perfect in de romantiek van een jong land op zoek naar helden. In 1887, bij de inhuldiging van het standbeeld van De Coninck en Breydel in Brugge hield Leopold II een openingsrede. En Albert I herinnerde aan de Guldenssporenslag en de heldhaftigheid van de Vlamingen toen hij kanonnenvlees nodig had in 1914.

Het symbool van de Vlaamse beweging is het pas veel later geworden. Velen probeerden de slag als een eigen symbool te recupereren: de liberalen zagen er een strijd voor vrijheid in, de socialisten een strijd tegen onderdrukking en de katholieken zagen eerder de religieuze aspecten om later de Vlaamse beweging te vervoegen in haar visie van een strijd tegen Frankrijk en de franstaligheid in België.

Wat volgde erna ?

De werkelijke waarde lag zoals gezegd in de militaire betekenis. Onmiddellijk volgend op de Guldensporenslag werden vele opstanden gevochten tussen de oude adel en de patriciërs enerzijds en de gilden der ambachtslui, de poorters en de boeren. En dit gebeurde dikwijls tussen een ridderleger en slecht uitgeruste infanterielegers van stedelingen. En dit gebeurde in geheel West-Europa: in Nederland, Zwitserland, Schotland en Frankrijk.

Ridderlegers verloren hun status en daarmee ook de militaire repressie die zij uitoefenden namens koningen en de oude adel. De opkomende ambachten verwierven langzaam, niet zonder weerwerk, politieke en sociale macht.

Vlaanderen herwon, zij het slechts tijdelijk, zijn zelfstandigheid. Na de onbesliste slag van Pevelingen in 1304 werd het echter gedwongen tot zware concessies. De graaf van Vlaanderen had echter een veel grotere onafhankelijkheid dan alle andere leenmannen van de Franse koning verworven.

De gilden bleven echter verder strijden met de patriciërs. Hierbij kwam het geregeld tot rellen en ernstige confrontaties. Tussen 1323 en 1328 kwam het Brugse Vrije ( ongeveer de kuststreek en het ommeland van Brugge) in opstand tegen hoge belastingsdruk en sociale ongelijkheden. Deze rebellerenden kregen in 1325 de macht in handen van bijna het gehele graafschap.
In 1338 veroverde Jacob van Artevelde in Gent de macht en installeerde zijn gezag over het gehele graafschap.

In 1359 vochten de wevers van Gent, Brugge en Ieper om hun plaats in het stadsbestuur te heroveren.

Van 1379 tot 1385 ontstond opnieuw strijd, dit keer tussen Gent en Brugge, dat in 1379 van graaf Lodewijk een machtiging had bekomen om een kanaal te graven tot aan de Leie. Gent vreesde een ingreep op de rivier, die voor haar vitaal was. Onder leiding van Jan Yoens overvielen de Gentenaars met witte kaproenen ( het oude verzetsteken) de arbeiders aan het kanaal en vernietigden de werf. Na deze overwinning viel Yoens Brugge aan en veroverde het in 1382. Hij ging verder naar Damme, dat zich zonder slag of stoot overgaf. Tijdens een diner, dat hem werd aangeboden, werd hij er vergiftigd.

In 1385 sloot de hertog van Bourgondië een compromis met het rebelse Gent om graaf van Vlaanderen te kunnen worden. De opstanden en rellen duurden echter voort tussen de steden en de nieuwe graaf. De Bourgondiërs hadden heel veel moeite om de politieke macht in handen te houden. Tijdens de inauguratie van Karel de Stoute in 1467 te Gent ontstonden er opnieuw troebels.

Maria van Bourgondië, de dochter van Karel de Stoute, aanvaardde het Groot Privilege dat de Gentenaars hadden opgelegd. Zij trouwde met Maximiliaan, de koning van Duitsland, die later keizer zou worden van het Roomse Rijk. Maar tegen diezelfde Maximiliaan als regent in Vlaanderen kwam er verzet vanuit Brugge. In die mate dat hij door de Bruggelingen gevangen werd gezet. Noteer dat hij na de paus het tweede hoogste gezag vertegenwoordigde in Europa.
Met de hulp van precies deze paus en vele kuiperijen van de Kerk, werd de strijd gewonnen door de keizer.

Toen Keizer Karel als graaf van Vlaanderen werd geïnstaureerd in 1515 te Gent ontstonden opnieuw troebelen. In 1540 lanceerden de Gentenaars een laatste verzetspoging tegen de keizer, die inmiddels heerste over een wereldrijk. De represailles herinneren de Gentenaars zich nog steeds. Ze hebben er hun bijnaam aan te danken.

Al deze feiten zijn een voortzetting van de Guldensporenslag en wat eraan voorafging, waaruit blijkt dat de Guldensporenslag zelf slechts een anaal uit een lange geschiedenis is.

De laatste fase ( en die bestaat dus niet echt) van de machtsstrijd in Vlaanderen tussen de oude “klasse” en de nieuwe economische actoren loopt parallel met de opstand van het protestantisme. Dit was eveneens een strijd tegen de oude machtspositie van de Roomse kerk. Daarom ook sloten de Vlaamse steden zich aan bij de Unie van Utrecht. Van 1577 tot 1584 werd zelfs een Gentse Republiek geïnstalleerd, die over grote delen van Vlaanderen regeerde en die protestants geïnspireerd was.

Aan dit alles kwam een “voorlopig” einde door de inval van de Spaanse legers en de val van Antwerpen in 1585.

 

Trefwoorden: