Het Nazi Wirtschaftswunder

Als men op de web naar de economie van Nazi-Duitsland op zoek gaat, is het typerend dat nog steeds méér dan 90% handelt over de onmiddellijke successen van het Nazi regime. Benadrukt wordt vooral het feit dat Hitler en co. alle beloftes snel hebben gerealiseerd, nl. werkloosheid opgelost, grote werken ( als voorbeeld wordt steeds de autostrades genoemd of de productie van de wagen voor het volk) uitgevoerd, het land weer een eersterangs rol in Europa gegeven.

Als we naar de feiten kijken, zijn deze beweringen redelijk juist. Hoewel…..

We bekijken al deze beweringen in vijf historische fasen:

a)    Tussen einde WO 1 en 1923 toen een geldhervorming werd ingevoerd.
b)    1923 tot de grote beurscrash.
c)    Van de grote depressie tot 1933 toen Hitler aan de macht kwam.
d)    Periode tot WO 2.
e)    WO 2.

 

Fase één

Duitsland kreeg bij het Verdrag van Versailles een pakket sancties opgelegd. Waarschijnlijk de belangrijkste was de hoogte van de herstelbetalingen aan de andere landen die aan WO1 deelnamen. Hierover was heel wat onenigheid. Sommigen dachten dat Duitsland onmogelijk aan deze sancties kon voldoen. Anderen daarentegen meenden dat deze herstelbetalingen Duitsland zouden verplichten geld te gaan lenen en dat aldus een controle over het land mogelijk was. Naast deze sancties had Duitsland ook nog een enorme staatsschuld ontstaan door de oorlog. Er werd klassiek gereageerd en er werd massaal geld bijgedrukt. Inflatie was onvermijdelijk.
Door allerlei foutieve beslissingen, o.a. door de druk van de Geallieerden om de Reichsbank onder private controle te brengen, creëerden de privaatbanken enorme geldhoeveelheden. Substantiële leningen werden toegekend aan organisaties die daarmee op hun beurt tegen de eigen Mark speculeerden. Hyperinflatie was het gevolg.

Fase twee

In 1923 besliste Duitsland om de herstelbetalingen stop te zetten ( later zouden de Nazi’s hetzelfde doen). Als tegenmaatregel tegen deze betalingsstop bezetten Frankrijk en België het industriële Ruhrgebied.
Eind november 1923 werd een geldhervorming doorgevoerd. Een nieuwe bank werd opgericht, de Rentenbank, en een nieuwe geldeenheid, de Rentenmark, werd ingevoerd.
Motor van deze hervorming was Hjalmar Schacht, die we later opnieuw zullen tegenkomen. Deze Rentenmark revalueerde de oude Papiermark. Tegelijk werd het Dawes-plan ingevoerd, dat bedoeld was om Duitsland te helpen bij de betaling van de herstelbetalingen.
Basis hiervan waren leningen die de USA aan Duitsland verstrekten, die door de Duitsers werden gebruikt om de herstelbetalingen aan, onder anderen England en Frankrijk te betalen. Die gebruikten dan weer deze betalingen om hun schulden aan de USA af te betalen ( sic). Dit betekende tijdelijk een periode van heropbloei.
In 1930 werd de BIS, de Bank for International Settlements, opgericht en later in Bazel gevestigd. De oorspronkelijke bedoeling was de Duitse herstelbetalingen te coördineren. Het werd vrij snel een ontmoetingspunt van internationale bankiers en grote ondernemers. Eerste bijzonderheid is dat toen Hitler de herstelbetalingen liet stoppen, er een omgekeerde geldstroom op gang kwam die de Nazi’s toeliet de oorlogsmachine te financieren. De betrokken partijen die dit financierden zullen we later bespreken. Tweede vaststelling: het bleef eveneens de plaats van Amerikaans-Duitse samenwerking waar geallieerde en Duitse bankiers, bedrijven en advocaten mekaar bleven ontmoeten, zelfs na Pearl Harbour. De soldaten aan weerszijde sneuvelden terwijl men in het neutrale Zwitserland rustig zaken bleef doen !

Fase drie

Helaas werd deze periode vrij snel afgebroken door de grote beurscrash van 1929. De USA geconfronteerd met deze enorme financiële klap, konden geen verdere leningen meer verlenen, en dus verviel Duitsland opnieuw in een ernstige economische crisis. Samen met werkloosheidscijfers van bijna 30% bleek dit een goede voedingsbodem te zijn voor de NSDAP. Deze partij had in haar 25-punten programma de theorie van Gottfried Feder aangenomen ( Duitse economist en economische specialist van de Nazi’s). Deze theorie  stelde dat geld schuldenvrij in omloop moest worden gebracht door de staat om wat hij de “renteslavernij” noemde, te doorbreken.
Een jaar voor Hitler aan de macht kwam, in 1932 dus, werden wissels in omloop gebracht, de zogenaamde Öffa-wissels. Eigenlijk waren dit obligaties ( schuldbekentenissen) uitgegeven door een schijnvennootschap. Ze dienden om publieke investeringen te financieren. Hiermee werden bijvoorbeeld de werken aan de Autobahn gefinancierd. Noteer dat deze werken dus voor de Hitler-periode werden begonnen en dat de NSDAP was er in het begin eigenlijk tegen, maar toen ze zelf aan de macht kwamen zouden ze dit project massaal oppakken.

Fase vier

Toen de NSDAP in 1933 aan de macht kwam, benoemde Hitler de econoom Hjalmar Schacht tot president-directeur van de Reichsbank. Hij was de man die in 1923 de Rentenmark had laten invoeren en mede daardoor de hyperinflatie had gestopt. In 1933 was Duitsland zo goed als bankroet.
Schacht liet onmiddellijk volgende maatregelen nemen:

  • Alle herstelbetalingen werden gestopt.
  • Diefstal en afpersing van vooral de joden.
  • Aanslag van alle buitenlandse valuta in Duitse banken.
  • Invoering van het Reinhart-programma.

Dit laatste was eigenlijk de Duitse variant van de New Deal uit de USA, geïnspireerd op de Keynesiaanse idee om grote openbare werken in gang te zetten om werkgelegenheid te creëren en economische groei en koopkracht te stimuleren. De Nazi’s pikten het idee van de Autobahn weer op om het nu grootschalig te realiseren. Waren hierbij reeds militaire bedenkingen aanwezig, kunnen we niet met zekerheid achterhalen. In ieder geval werd dit project eerst en vooral aangepakt om het voornaamste deel van de verkiezingsbeloften waar te maken, namelijk de werkloosheid onder controle krijgen.

Tegelijk werd eveneens de herbewapening in gang gezet, tegen het Verdrag van Versailles in. In de praktijk was de Nazi economie een amalgaam van protectionisme, van een quasi-Keynesiaans programma, van zware bewapeningsuitgaven, zware subsidiëringen van de landbouw en middenstand ( althans de eerste jaren) en van een zeer enge relatie tussen staat en de grootindustrie. Een groot deel ervan was de voortzetting van de politiek van de Weimar-republiek. De oplossing voor het werkloosheidsprobleem en de herbewapening, samen met onder andere zware subsidiëringen aan de landbouw, waren niet minder dan een massieve deficit spending.
Het economisch mirakel kostte Duitsland handen vol geld om te eindigen in een oorlog.

Het Reinhart-programma werd gefinancierd door de zogenaamde MEFO-wissels ( een variante op de vroegere Öffa-wissels). Het waren een vorm van obligaties met een looptijd van zes maanden, die telkens met drie maanden konden worden verlengd en 4% rente opleverden. Ze werden, zoals hun voorganger, eveneens door een schijnvennootschap uitgegeven. Mefo, deze vennootschap, was althans op papier in handen van vier industriële groepen en had amper 1 miljoen Reichsmark in reserve, terwijl ze eind 1939 een totale circulatie van meerdere miljarden Reichsmark in omloop had. We kunnen deze MEFO-wissels rustig een boekhoudkundige truc noemen om de staatsleningen te verhogen en de financiering van alle projecten te realiseren. In 1939 bereikten de opbrengsten van de Duitse staat 62 miljard ( waarvan ongeveer 60% voor de herbewapening), maar de uitgaven 101 miljard. Ernstige tekorten dus. Verder overtroffen vanaf 1936 de militaire uitgaven ieder jaar het civiele budget. In de periode 1933-1936 daalden de exportcijfers met 9% en de import steeg met eveneens 9%. Deze cijfers zijn een direct gevolg van de beslissing tot herbewapening. De buitenlandse valuta, nodig om meerdere grondstoffen, nodig in de wapenindustrie, te kunnen aankopen, ontbraken echter meer en meer. De goudreserves bedroegen bij de machtsovername door Hitler 937 miljoen Reichsmark; in 1937 bedroegen ze nog slechts 72 miljoen. Een conflict ontstond tussen de financiële technocraten type Hjalmar Schacht, Walther Funk, minister van Economie, en Dr. Goerdeler ( commissaris voor toezicht op de prijzen) enerzijds en de gepolitiseerde factie, die voorstanders waren van autarkie en aangehouden militaire uitgaven en van ideologie boven de economische realiteit. Het kostte Schacht uiteindelijk zijn functie. Een verder gevolg was het memorandum over het Vierjaren Plan, waarbij Hermann Göring de opdracht werd gegeven de Duitse economie klaar te stomen voor oorlog tegen 1940 “wat ook de economische kost”, staat letterlijk in de tekst. De mythe dus dat Hitler tot oorlog werd gedwongen door de buitenwereld, is hiermee duidelijk weerlegd.  

Ondertussen had men honderdduizenden joden hun baan ontzegd, werden honderdduizenden vrouwen terug aan de haard gebracht met huwelijkspremies en propaganda. Militaire en pre-militaire diensten verplicht vanaf 1935. Communisten, socialisten en vakbondsmensen werden opgesloten. Dit alles opende jobs voor de werkloze Duitsers, waarmee de Nazi’s veel goedkeuring verwierven bij de bevolking.

Fase vijf

Tijdens de oorlog evolueerde de economie naar een volledig door de staat gecontroleerd systeem, maar aan het privébezit werd niet geraakt. Waar het oude Nazi-programma de nationalisatie van de sleutelindustrieën vooropstelde, wat ze nooit had uitgevoerd, werd nu voor het eerst en vooral door de oorlogsresultaten een controle doorgevoerd.
Daar bovenop startte men wel een zeer uitgebreide en goed georganiseerde roof in alle nieuw bezette gebieden. Frankrijk bijvoorbeeld verloor twee derde van alle treinstellen aan de Duitse oorlogsvoering. Noorwegen verloor 20% van zijn nationaal inkomen in 1940 en 40% in 1943. De fiscale politiek werd aangepast voor de bezette gebieden. Goud en kapitaal in deze landen werd eveneens aangeslagen. De slavenarbeid bestond reeds voor de oorlogsperiode ( de zogenaamde Unzuverlässige Elemente, t.t.z. criminelen, homo’s aangevuld met communisten, socialisten, vakbondsmensen, joden en “ongewensten”) maar werd onmiddellijk en snel massaal aangevuld naarmate de oorlog vorderde met honderdduizenden Slaven, joden en zigeuners, en verder met krijgsgevangenen en buitenlandse “ongewensten”.
In 1944 waren er 25% dwangarbeiders in de industrie en had ieder belangrijk Duits bedrijf een gevangenenkamp.
Tijdens de oorlogsperiode werden de bevriende en bezette landen gedwongen grondstoffen zeer goedkoop aan Duitsland te verkopen. Maar onder andere de tactiek van de verschroeide aarde betekende dat ze na de inval in Rusland weinig interessants vonden. Daarvoor moesten ze snel en over een brede frontlijn achter de lijn Wolga-Moskou-Leningrad komen om de Russische grondstoffen te veroveren. Het gevolg kennen we.
In het Westen slaagde men er niet in England te veroveren. Van 1942 tot 1944 werd bijna de volledige Duitse economie aan de bewapening besteed. Maar de opgedreven bombardementen deden de productie van synthetische olie dalen met 86%, de springstoffen productie daalde met 42% en de fabricage van tanks daalde met 35%. Bronnen vermelden dat in diezelfde periode ongeveer 200 000 mensen permanent moesten instaan voor het herstel van belangrijke pomp- en andere vitale installaties. Op dat ogenblik zat Duitsland industrieel en financieel volledig aan de grond.

 

Verdere bedenkingen

  1. Hitler had geen economisch programma, en plaatste ideologie boven de realiteit van de financiën. Eén van de gevolgen was een intern langdurig gevecht tussen de ideologen en de vakmensen over de financiële politiek van het land. Hitler koos finaal voor de snelle omwenteling van het land dat voortdurend financieel op een koord danste, en hoopte dit te realiseren door roof van grondstoffen, voedsel, arbeidskrachten. De Blizkrieg was zijn middel om heel snel de basis hiervoor te leggen. De eis tot Lebensraum was zijn inleiding hiertoe. Zijn bewapeningsinvesteringen werden uitsluitend voor dit soort “bliksemresultaten” gedaan. Maar tegelijk betekende het ook dat dit leger en zijn uitrusting niet kon doorgaan in een langdurige oorlog, omdat het hiervoor niet was uitgedacht. Alles was voor handen voor een snel succes en tegelijk was alles voor handen voor een trage ondergang. Men kan het gerust een casino gok noemen.
     
  2. De Nazi organisatie was een allegaartje van meerdere denkstromingen, die de volledige periode van de opgang tot de ondergang, hieronder zou lijden. In tegenstelling tot de zogenaamde unitaire en door de top gecontroleerd systeem, waren er vele belangengroepen met vele “stropers” in de rangen. En Hitler zelf bleek heel dikwijls niet de doortastende leider waarvoor hij doorging. Hij probeerde permanent te schipperen tussen de verschillende belangengroepen in zijn eigen organisatie.
    Herinneren we ons maar in de beginfase de strijd tussen Feder en Schacht, waarbij hij heel lang aarzelde een koers te bepalen. In 1936 verschoof zijn steun voor het economisch beleid van Schacht naar Göring, van Göring naar Todt in 1941 en naar Speer in 1942. Tenslotte van Speer naar Bormann in 1944. Herinner ook de belofte tot grote geldhervormingen ( zie het 25 punten programma van de NSDAP), die er nooit is gekomen. Herinner de beloofde onderwerping van de grootindustrie aan de belangen van de staat. Toen de oorlogsmachine op gang kwam, werd deze onderwerping ook ingevoerd maar met de toezegging van enorme winsten voor deze bedrijven ( hoewel wettelijk maar 6% was toegelaten op het eigen kapitaal).
     
  3. Het tegenvallende herstel, de daling van de koopkracht met 25%, waar het BNP steeg met 50% ( uitsluitend te wijten aan wapenproductie) en een acuut voedselprobleem in 1939 veroorzaakten enige paniek bij de leiders, zoals blijkt uit het Hossbach Memorandum, waarin notulen staan van een briefing door Hitler. Sommigen betwisten deze notulen, maar feit blijft dat juist in die kritische periode men ook het Duitse leger van enkele honderdduizenden moest gaan herorganiseren naar een leger van enkele miljoenen soldaten en hun vervanging in de industrie. Timothy Mason beweerde dat de onhoudbaarheid en de dreigende economische ineenstorting van het Duitse economische systeem en vooral de onrust bij de Duitse arbeidersklasse, Hitler ertoe aanzette de oorlog te beginnen als bliksemafleider. Deze stelling heeft zijn voor- en tegenstanders. Tussen 1936 en 1939 daalde de koopkracht wel met ongeveer 25%. Hoewel we spreken over een autoritaire staat met een ver uitgebouwd repressief apparaat was niet alles permanent onder controle en in de aanloop naar de oorlog was onrust absoluut te vermijden. Maar het regime was in structuur en in organisatie niet zo efficiënt en hiërarchisch als algemeen wordt gedacht. Wat economisch beleid betreft was er evenmin een éénvormige en éénduidige leiding.
    In het beleid werden drie beleidspunten steeds naar voren: het oplossen van en de verkiezingsbelofte rond werkloosheid, de verhoging van de industriële productie ( maar niet de productie van consumptiegoederen) en de uitbouw van de bewapeningsindustrie. Hiervoor moest zeer dikwijls alles andere wijken.
     
  4. Het zou echter een snel stijgend staatsdeficit gaan betekenen. Schacht zag in 1936 nog een mogelijkheid om de begroting sluitend te krijgen na enige meevallers en enkele maatregelen.
    Enkele miljarden werden gerealiseerd door de plundering van de joden. De economie op wereldniveau beleefde een relatieve opleving. Later zouden de annexatie van Oostenrijk en nog later van Tsjechoslovakije extra goud in de Duitse staatskas brengen. Maar dit alles bleek duidelijk onvoldoende. In 1939 bedroeg het deficit 60 miljard RM, een fenomenaal bedrag in die tijd. Deze stijgende staatsschuld samen met tekenen van een op komst zijnde inflatie, werden gedeeltelijk opgevangen door de 40 miljard aan Mefo-wissels die Schacht had ingevoerd, zonder voldoende dekking echter. Ook lonen en prijzen kwamen, ondanks alle regelgevingen, onder druk te staan. Allerlei vormen van “zwarte” lonen, toeslagen voor overwerk en vakantieregelingen werden toegestaan door bedrijven die werknemers wilden wegkapen bij andere bedrijven, veroorzaakten loonstijgingen. Ook prijzen stegen, zij het matig. Zware subsidiëring van de landbouw had eveneens een bezwarende invloed. De financiën van de staat en die van de NSDAP versmolten langzaam. Een dure bureaucratie ontstond. En vooral de herbewapening zorgde voor een drukkende last.
    De onvermijdelijke neiging tot inflatie werd met kunst- en vliegwerk door de autoriteiten verborgen gehouden. Uit al deze feiten besluiten sommigen dat oorlog de oplossing was van het gevoerde casinospel. Het staatsdeficit kon niet eindeloos blijven stijgen. De inflatie zou zeker toeslaan. Loonstop kon niet eeuwig worden aangehouden. Doorbetaling van lonen tijdens de vakantie en uitbetalingen van overwerk werden bij de inval in Polen in 1939 bij wet verboden, maar in de winter reeds herroepen. De bevolking mopperde, maar niet echt luid. De Nazi’s hadden immers een indrukwekkend repressie apparaat.
     
  5. De maatschappelijke omwenteling die de NSDAP aanvankelijk gepropageerd had, werd slechts op een paar kleinere onbelangrijk punten in de beginfase gerealiseerd of in gang gezet. Voor de boeren werd het Erbhofgesetz in 1933 ingevoerd. Dit moest de boeren via een erfregeling beschermen tegen verdere verkavelingen. In het radicaal programma waren de boeren belangrijk om volledige onafhankelijkheid van de voedselproductie te garanderen.
    Men kon echter de vlucht naar de industrie en de verstedelijking niet stoppen.
    De kleinhandel zou eveneens beschermd worden tegen de grote ketens. De vroege boycot tegen joodse bedrijven paste in dit plan om de kleine zelfstandigen te bevoordelen.
    Maar van een consequent doorgevoerde structurele verandering van de Duitse maatschappij in een autarkische en corporatistische staat, wat in de beginselverklaringen van de NSDAP stond, was er nooit sprake. De nationalisatie van alle grote bedrijven, opdeling van het grootgrondbezit en de macht aan de corporaties kwamen er nooit. Integendeel werden deze speerpunten van de radicale vleugel van de partij snel opzij geschoven, net als de radicaal nationalisten zelf ( Nacht der lange Messen). Bij Hitler ging het hierbij om puur politiek zelfbehoud tegenover de opdringerige radicalen.
    Maar omdat de nazi’s geen diepgaande sociale en economische omwenteling brachten, bleef de oude kapitalistisch-industriële structuur bestaan, weliswaar met enkele beperkingen in hun vrijheid van ondernemen.
     
  6. Enkele cijfers
    • In 1932 was de output van de zware industrie nauwelijks hoger dan in 1890. De handel daarentegen bedroeg de helft van 1928. Werkloosheid 6 miljoen.
      Eind 1938. Landbouw was in slechte staat. Men moest of grondstoffen of voedsel importeren. Men koos, gezien oorlogsvoorbereiding voor grondstoffen.
      De privaat sector werd volop vermengd met staatsbelangen, maar er volgden geen nationalisaties. De “linkervleugel” in de NSDAP had nog eens, maar zeer tijdelijk haar slag thuis gehaald.
    • De lonen waren in 1938 gestegen door langere uren en overuren, maar nog steeds lager dan 1928.
    • In 1944 werden 7,6 miljoen buitenlanders gedwongen als arbeidskracht ingezet en nog eens 20 miljoen in het buitenland. Dit betekende ongeveer 25% van het totaal aantal arbeiders in de Duitse oorlogsindustrie.
    • De investeringen voor Openbare Diensten waren in 1933 nauwelijks 0,6 miljard Reichsmark, 1,2 miljard in 1937 en 0,9 miljard in 1939.
      De bewapeningsinvesteringen waren in 1933 ongeveer 0,7 miljard Reichsmark, 5,2 miljard in 1935, 11 miljard in 1937 en 26 miljard in 1939.
      Het aantal werklozen in 1933 was 6 miljoen, 0,5 miljoen in 1937 en 0,4 miljoen in 1939.
      De staatsschuld was in 1932 ongeveer 12 miljard Reichsmark, 25,5 miljard in 1937 en 46 miljard in 1939.
    • Als we het prijsniveau van producten in 1933 op een waarde 100 plaatsen, dan waren volgende producten in 1939 geëvolueerd als volgt: brood 98, erwten 152, suiker 102, aardappelen 122, vlees 118, melk 115, boter 135, margarine 144, eieren 131, kolen 99, gas/elektriciteit 99 en kleren 124.
      In 1939 ging boter op de bon. Textiel was onbetaalbaar geworden.
    • De zware afscherming en subsidiëring van de boeren, een belangrijk programmapunt van de Nazi’s en dan vooral van de radicalen, had bij verre niet het verhoopte resultaat. Bovendien ging door de opgevoerde oorlogsindustrie de ontvolking van het platteland verder. Later kwamen daar de gesneuvelde boerenzonen bij, wat de productie onder druk zette. De krijgsgevangenen losten dit probleem niet op.
    • Dit alles lijkt niet onmiddellijk een Wirtschaftswunder. Sommigen stellen dat het herstel van Duitsland onder de Nazi’s te danken is aan het feit dat ze met hun ideologische prioriteiten daartoe de vrije weg hebben gegeven aan het grootkapitaal . Omdat de Nazi’s geen echte en diepgaande revolutie hebben tot stand gebracht, bleven namelijk de oude machtsstructuren in handen van de oude kapitalistische machthebbers. In het begin probeerden de Nazi’s de industrie onder haar controle te krijgen, maar doordat hun ideologische visies de economie en industrie totaal ondergeschikt wilden maken, en doordat ze in het begin een paar fundamentele verkiezingsbeloften wilden nakomen en tegelijk een oorlogsindustrie zeer snel wilden uitbouwen, kwam de staat in een zeer gevaarlijke schuldenspiraal terecht. Deze toestand die grote hoeveelheden krediet vereiste, en de sociale onrust van 1939 waren waarschijnlijk mede detonator van het oorlogsavontuur om opnieuw de chaos van de Weimar periode te vermijden.
    • In deze context was voor de Nazi’s het nodige volume kapitaal belangrijker dan de kost ervan. Banken werden niet genationaliseerd, waar bijvoorbeeld de Weimar republiek er wel een paar had genationaliseerd bij het begin van de depressie. De strijd tegen de woekeraars is finaal ook een mythe die de Nazi’s zelf hebben gefabriceerd. De zware taksen op dividenden boven 6% is ons voorgesteld als een maatregel om het kapitalisme aan banden te leggen. Maar eigenlijk was het een maatregel om middelen voor zelffinanciering te creëren aangezien de goudvoorraad met driekwart was verminderd en er een nijpend tekort aan harde buitenlandse deviezen was ontstaan voor de aankoop van speciale materialen voor de wapenindustrie. De 4,5% interest die gedurende de volledige Nazi periode werd gehanteerd door de nationale bank, was een erfenis van het Weimar regime. Bronnen voor een verhoging van deze rente door de stijgende inflatie ten gevolge van de bewapeningsfinanciering, zoals sommige auteurs beweren, hebben we echter niet gevonden.
      Doordat de toestand tegenover de crisis jaren van de Weimar republiek onder de Nazi’s duidelijk als verbeterd werd ervaren, en de Nazi’s zelf een uitstekende  propagandamachine gebruikten, leken in de eerste jaren de Nazi’s de situatie onder controle te krijgen. Wat voor de doorsnee Duitser op dat ogenblik nog niet zichtbaar was, waren de gevolgen van deze politiek. Toen in 1939 een groot aantal economische gegevens leken te escaleren naar crisis, werd de Lebensraum slogan in werkelijkheid omgezet.
       
  7. Enkele mythes
    • De Autobahn is waarschijnlijk het meest geciteerde voorbeeld van de Nazi aanpak, maar zoals hoger aangehaald waren de werken reeds gestart in 1926 tijdens de Weimar republiek en waren in het begin de Nazi’s tegen. Het grote argument was dat een austostrade alleen maar door de betere burger en de jood zou gebruikt worden, aangezien dezen, volgens de Nazi’s de enigen waren die over een auto beschikten. De eerste autostrade zou origineel van Hamburg via Frankfurt naar Bazel in Zwitserland lopen ( dit traject werd in 1956 beëindigd). Realiteit is dat het heropstarten door de Nazi’s van de werken aan de Autobahn paste in een Keynesiaanse aanpak om de werkloosheid terug te dringen: een kopie dus van de Amerikaanse New Deal. Of daar toen reeds militaire bedenkingen bij aanwezig waren, is niet gedocumenteerd. Men had 1000 km per jaar gepland en 600 000 arbeiders voorzien. Maar op zijn hoogtepunt waren er amper 120 000 jobs. Het ging om verplichte arbeid onder bedenkelijke omstandigheden. Bronnen tonen aan dat er stakingen zijn geweest, maar de leiders werden naar een concentratiekamp gestuurd. Tijdens de eigenlijke oorlogsjaren werden er joodse en andere dwangarbeiders en krijgsgevangenen ingezet. Tegen 1941 waren er amper 3 800 km aangelegd. Tussen 1942 en 1943 kwamen de werken quasi tot stilstand. Vanaf 1943 werden autostrades open gesteld voor de fietsers bij afwezigheid van auto’s. De Nazi’s als autostrade bouwers is dus eerder een mythe gecreëerd door de Nazi’s zelf.
       
    • De Volkswagen is een andere mythe. Het wagentje zou 990 Reichsmark gaan kosten. Iedere Duitser had er recht op en kon maandelijks een bedrag van 5 Reichsmark laten inhouden. Als hij drie vierde van het bedrag op het kredietboekje had, kreeg hij een toewijzing van een wagen. Geen enkele Duitser ( behalve enkele partijbonzen) heeft ooit een wagen ontvangen. Het wagentje werd uiteindelijk in productie genomen in 1948.
       
    • De joden zou alles worden afgenomen. Dit is juist voor de naar schatting zes miljoen die finaal in de moordmachine zijn omgekomen. Maar het ging hier zeer duidelijk om merendeels “arme sukkelaars” uit Oost-Europa, ook kleine handelaars en kleine bedrijfsbezitters. De grote vissen heeft men laten vertrekken of hadden zichzelf uit het land gekocht of konden door meerdere bijzondere acties, zoals de Hanotea deal, het land verlaten. Bij deze “vrijlatingen” ging het steeds om geld, in het geval van de Hanotea deal om niet minder dan 3 miljoen Reichsmark. Het resultaat was dat ongeveer 60 000 van de 525 000 Duitse joden het land konden verlaten. Onderzoekingen na de oorlog tonen aan dat een deel van al de verschillende acties om joden vrij te kopen, niet in de Duitse staatskas is terecht gekomen. Corruptie op hoog niveau was dus zeker aanwezig. Over het eigendom van de Warburger Bank, grotendeels in joodse handen, werd ook onderhandeld en finaal werd, weliswaar niet de werkelijke marktwaarde, een bedrag uitbetaald aan de “joodse” eigenaars. Dit staat in schril contrast met de hoogdravende verklaringen dat men de joden alles zou afnemen.
       
    • Recent zijn een aantal onderzoeken naar interne spanningen binnen de NSDAP gedaan, en een paar opvallende conclusies werden getrokken:
      a) het regime was helemaal niet efficiënt. De administratie had vele belangengroepen, die elk probeerden een deel van de koek mee te pikken.
      b) in de wapenindustrie werden ook vele zware deficiënties vastgesteld. De tanks van de Duitsers waren veel te omslachtig in de productie en te kostelijk. De vliegtuigen werden met één enkel doel gebouwd, terwijl de Engelsen bijvoorbeeld de op een houtskelet gebaseerde Mosquito bouwden, een gevechtsvliegtuig, maar tegelijk ook lichte bommenwerper. Van de MP40 machinegeweer werden 500 000 exemplaren gebouwd, terwijl de Engelsen alleen al miljoenen stenguns hadden gefabriceerd. Het standaard pistool P38 werd in meerdere modellen gebouwd, elk met een verschillend kaliber ! Dit alles was gewoon het gevolg van verschillende diensten, die elk een politieke en een economische agenda hadden.
       
    • Er is veel documentatie over de interne gevechten tussen SA en SS. Na de verdwijning van de SA, tussen SS, Gestapo, SD en Abwehr. Hierbij speelde Hitler zelf heel dikwijls het verdeel en heers spel.

 

Als een soort conclusie kunnen we stellen dat de Nazi ideologie een vreemde verzameling bleek te zijn van antisemitische elementen, van een vaag pan Germanisme, eugenetica en zogenaamd raciale hygiëne ( mooi eufemisme), geopolitieke expansie, democratie vijandig, en cultureel modernisme vijandig, gesteund door een verwarring creërende retoriek. Toen Duitsland een herbewapingsbudget bereikte drie keer hoger dan elk ander Westers land, toen het het Rheinland bezette, toen het Oostenrijk annexeerde en Tsjechoslovakije binnenviel, gekoppeld aan de hoger beschreven ideologie,  heeft het Westen laten gebeuren.  De vraag is of dit bewust was.

 

Bibliografie

Adam Tooze, Economie van de vernietiging. Opkomst en ondergang van de Nazi-economie, Spectrum, 2015.

Henry A. Turner, German Big Business and the Rise of Hitler,Oxford University Press, 1985.

Hans-Joachim Braun, The German Economy in the Twentieth Century, Rotledge, 1990.

Stephen Lee and Paul Shuter, Weimar and Nazi Germany 1919-1945, Heinemann, 1996.

Joseph Bendersky, A History of Nazi Germany, Rowman & Littlefield, 2000.

William Carr, Arms, Autarky and Agression, Edward Arnold, London, 1972.

Richard Overy, Misjudging Hitler, Gordon Martel Routledge, London, 1999.

Richard Overy, Germany, Domestic crisis and War in 1939, Christian Leitz Blackwell, Oxford, 1999.

Christoph Buchheim, The Role of Private Property in the Nazi Economy, Journal of Economic History, 390-416.

Arthur Scheweitzer, Profits under Nazi Planning, The Quarterly Journal of Economics, 61.

Alfred Sohn-Rethel, Economy and Class Structure of German Fascism, CSE Books, 1978.

Michael Thad Allen, The Business of Genocide, University of North-Carolina Press, 2002.

Martin Dean, Robbing the Jews, Cambridge University Press, 2008.

T. Balderson, Economics and Politics in the Weimar Republic, Cambridge University Press, 2003.

R. Evans, Coming of the Third Reich, London, Allen Lane, 2003.

A.Fergusson, When Money Dies: the Nightmare of the Weimar Hyper-Inflation, William Kimber, 1975.

J.M. Keynes, The Economic Consequences of the Peace, Macmillan, 1919.

F. Taylor, The Downfall of Money: Germany’s Hyperinflation and the Destruction of the Middle Class, Bloomsbury, 2013.

Ian Kershaw, Hitler 1889-1936: Hubris, W.W. Norton & Co, New York.

Dan Silverman, Hitler’s Economy, 1998.

Stephen Roberts, The House that Hitler Built, 1937.

Clarence W. Guillebaud, The Economic Recovery of Germany 1933-1938. London 1939.

Gerhard Kroll, Von der Weltwirtschaft zur Staatskonjunktur, Berlijn, 1958.

Burton H. Klein, Germany’s Preparations for War, Cambridge, 1959.

David Schoenbaum, Hitler’s Social Revolution: Class and Status in Germany 1933-1939, Garden City, 1966.

 

Trefwoorden: